Zit daar een rolletje stuivers in?

‘Verlovingstijd’ is de 17de roman van de binnenkort 65-jarige Maarten ’t Hart. Een mooi moment om te laten zien wat hij in zijn mars heeft.

Maar is dat ook gelukt?

‘In de verlovingstijd’, zo luidt het motto van de nieuwe roman van Maarten ’t Hart, ‘moeten diverse diersoorten, waaronder de mens, er rekening mee houden dat een rivaal zich van de partner meester kan maken.’

Het verband tussen het motto en de roman Verlovingstijd bevindt zich op plotniveau. In het boek doet een naamloze verteller kond van zijn liefdesleven, of aanvankelijk van zijn pogingen tot liefdesleven. Die initiatieven lopen in zijn jeugdjaren spaak op zijn onvermogen om met meisjes te communiceren, en op een terugkerende winderigheid. De schamele keren dat er wel iets lijkt te ontstaan, treedt zijn beste vriend Jouri als stoorzender op. Deze mooie jongen wordt keer op keer aangestoken door de affectie van zijn vriend en brengt dan, haast ondanks zichzelf, zijn charmes en hondenogen in stelling om er met het betrokken meisje vandoor te gaan. Zo gebeurt dat in de zandbak, op de lagere school en op de middelbare school. Tot de held een meisje ontmoet dat niet van hem wordt afgepakt. En dan nog een meisje.

Het klinkt als een anekdote die wordt gekoesterd door twee oude vrienden, maar Verlovingstijd is een complete roman, de zeventiende van ’t Hart en driehonderd bladzijden dik. Het boek verschijnt in het jaar dat Maarten ’t Hart 65 wordt, een mooi moment voor een auteur die zijn sporen heeft verdiend om in alle rust te laten zien wat hij in zijn mars heeft. Dat is bij Verlovingstijd niet gebeurd, of misschien juist wel, maar hoe dan ook: het boek geeft in de eerste plaats een overzicht van de zwakheden van de schrijver Maarten ’t Hart.

Hij legt zijn verteller een pseudo-archaïsch Nederlands in de mond, waarvan de vondsten op zijn best een kwestie van smaak zijn: ‘Onze vriendschap, of ons verbond, of hoe je onze verstandhouding ook wilt benoemen, vloeit derhalve onder andere voort uit mijn zo sterk van de norm afwijkende ontlastingsgedrag.’ Bovendien herhaalt hij veel. Het ‘tokkelen van het Wilhelmus op mijn ribbenkast’ voor lijfstraffen van een leraar is een formulering waar je de eerste keer al niet blij van wordt, maar die dan ook nog ettelijke malen terugkeert.

Het feilen in vorm en detail – maakt iemand halverwege de jaren zestig opmerkingen over hoe de oceanen worden leeggevist? – geven je het gevoel dat je de voorlaatste versie van het boek zit te lezen. Erger is dat maar niet duidelijk wordt waarom deze roman is geschreven. Om een handvol keren naar Vestdijk te verwijzen? Om herhaaldelijk te signaleren dat de Beatles, de Stones en Elvis ‘tinnef’ zijn?

Verlovingstijd had een interessante roman over uitsluiting kunnen zijn: die van Jouri’s vader (vanwege zijn oorlogsverleden) en die van de held zelf – de twee vinden elkaar in hun liefde voor muziek – maar ’t Hart laat dat thema weer weglopen. Net als de verhouding tussen de religie in het ouderlijk huis en het positivisme van de biologiestudie waar de hoofdpersoon zich aan wijdt. Voeg er de mathematisch gestileerde devotie van Bach bij en er kan iets moois ontstaan, maar ’t Hart loopt er voorbij als een bioloog die wel losse plantjes ziet, maar geen oog heeft voor de biotoop waarin hij zich bevindt.

De natuur levert de aardigste passages op. ’t Hart gaat van het ene vreemde insectje naar de volgende bizarre plantennaam. Beekpunge, krabbescheer, paarbladig goudveil, vuurbuikjes, cichliden, karperluizen, glazenmakers en vroedmeesters – er komt weer geen normaal dier (of plant) in voor, zou de Reviaan zeggen. En tegen het einde van de roman slaagt hij erin het droeve beeld van een ongelukkige en steeds verder wegzakkende vrouw te vangen.

De vergankelijkheid van mooie jonge mensen speelt tegen het einde van Verlovingstijd de hoofdrol: iedereen is inmiddels getrouwd, de ontrouw heeft plaatsgevonden en de verteller kan blij concluderen dat zijn ooit succesvolle vrienden seksueel volledig uitgeblust zijn, terwijl hij, wanneer hij met een studente tussen de addertong belandt, te horen krijgt: ‘Wat een paal! Zit daar een rolletje stuivers in?’

Een van de tegenstellingen tussen de verteller en zijn vriend Jouri is dat die laatste – die hoogleraar wiskunde wordt – niet kan begrijpen waarom mensen romans lezen: ‘Wat is bellettrie anders dan de consequente weigering om de beangstigende banaliteit en schrikwekkende alledaagsheid van het naakte bestaan onder ogen te zien?’ ’t Harts hoofdfiguur slaagt er niet in een steekhoudende tegenwerping te berde te brengen. Die had kunnen luiden dat literatuur juist bedoeld is om die schrikwekkende zaken te tonen die op het eerste gezicht verborgen blijven, die je liever niet ziet. Maar daar is een zekere esprit voor nodig, waar ’t Hart in deze gemakzuchtige roman geen blijk van geeft. En dan is de banaliteit van het naakte bestaan zelfs niet beangstigend meer.

Maarten ’t Hart: Verlovingstijd. Arbeiderspers, 304 blz. € 22,95 / € 19,95. Rubinstein. Luisterboek: € 32,95 (4 cd’s)