Wat zijn dit nu voor ribbels?

Honingraat-afdrukken in de bodem van de zee stellen onderzoekers voor een raadsel.

Zijn het wormen die bacteriën houden? Of is het een spons? Of een fossiel?

In 1976 doemden ze voor het eerst op in het zoeklicht van de diepzeecamera van oceaanonderzoeker Peter Rona: mysterieuze honingraatvormen, opgebouwd uit een strak patroon van minuscule gaatjes. Op drie kilometer diepte bleken er duizenden te liggen, middenin de Atlantische Oceaan tussen Florida en Mauretanië. De kleinste passen onder een één-euromunt, de grootste zijn ruim drie keer zo groot.

Drieëndertig jaar later weten Rona (van Rutgers University, New Brunswick) en zijn mede-onderzoekers nog steeds niet waar de sporen vandaan komen. Ze gingen op jacht met een bemande duikboot, camera’s, grijparmen en stofzuigers – zonder resultaat. De zeshoeken zijn een onverklaarbare voetafdruk op de aardbodem. Geen graancirkel kan er tegenop.

In een publicatie die dit najaar verschijnt in het wetenschappelijk tijdschrift Deep-Sea Research II beschrijft een dertienkoppig team van oceaanonderzoekers, onder leiding van Rona, de wetenschappelijke middelen waarmee zij de zeshoeken in de afgelopen decennia te lijf zijn gegaan: van DNA-sequencing tot computermodellen. Het team concludeert dat een oeroud mysterieus organisme verantwoordelijk moet zijn voor de zeshoekige gatenpatronen.

De zeshoeken hebben zelfs een naam gekregen: Paleodictyon nodosum. Vergelijkbare fossielen zijn bekend uit verschillende geologische tijdvakken, de oudste dateren van vóór de Cambrische explosie, vanaf circa 540 miljoen jaar geleden: de tijd waarin skeletten en schelpen ontstonden. Misschien zijn de gangen gemaakt door een worm, of door grote eencelligen. Ook houden de onderzoekers de mogelijkheid open dat het hier niet gaat om een tunnelstelsel, maar om de resten van een spons.

Het vermoeden dat Paleodictyon een levend fossiel is komt van de 84-jarige Duitse paleontoloog Adolf Seilacher (Yale University, New Haven). Hij zag in de jaren zeventig de markante gelijkenis tussen de zeshoeken en fossiele graafgangen uit de afgelopen honderden miljoenen jaren. „Er bestaat geen twijfel dat het hier om graafgangen gaat”, aldus Seilacher aan de telefoon. „Ik denk dat een organisme in de graafgangen zich voedt met bacteriën. Die leven op hun beurt van methaan dat uit de zeebodem omhoog borrelt, of van organische resten die omlaag dwarrelen.”

De zeshoeken zijn dus niet permanent bewoond. „Je zou kunnen zeggen dat het hier gaat om een soort boerderij”, zegt Seilacher. „De wormen komen af en toe langs om de bacteriën te oogsten die leven in de gangenstelsels die ze zelf gegraven hebben. Daarom is het niet gek dat we deze organismen nooit hebben gezien.”

Wormen die bacteriën houden op de diepzeebodem. Het lijkt vergezocht, en de studie in Deep-Sea Research houdt andere opties open. „Persoonlijk denk ik dat hier het lichaam van een organisme is gefossiliseerd”, schrijft Rona per e-mail vanaf een onderzeeër in de twee kilometer diepe Hudson Canyon. „Ik denk dat het gaat om een spons die eet door zeewater door dit gangenstelsel te laten circuleren.” Jammer genoeg is Rona er niet in geslaagd om sponsweefsel in het gangenstelsel aan te tonen.

Toch is de hypothese van de bacterieboerderij niet absurd. Een kleine tien jaar na de ontdekking van de zeshoeken vond Rona iets verderop ‘zwarte rokers’: schoorstenen die mineraalrijk heet water omhoog spuiten. Deze hydrothermale bronnen liggen langs onderzeese bergruggen die zich uitstrekken over het midden van de Atlantische en Stille Oceaan. De zwarte rokers huisvesten een excentrieke leefgemeenschap van meterslange kokerwormen, krabben en vuistgrote schelpdieren. „Die kokerwormen hebben ook bacteriën nodig om te kunnen overleven”, zegt Seilacher.

Maar daarmee is zijn hypothese nog niet bevestigd. Zo zou de diepzeeworm over „uitzonderlijke navigatievaardigheden” moeten beschikken om het zeshoekige gatenpatroon te kunnen graven. De verticale gaten zijn aan de onderkant verbonden door een horizontaal netwerk van gangen in hoeken van 120 graden ten opzichte van elkaar. De vermeende worm moet dus over relatief grote afstanden heen en weer kruipen en nauwkeurig manoeuvreren.

Het onderzoeksteam heeft DNA-monsters genomen van bacteriën en andere eencelligen in en rond de graafgangen. Dat leverde sporen op, maar de monsters in en buiten de zeshoeken verschilden onvoldoende van elkaar om conclusies op te baseren.

Zo blijft het afwachten of de Paleodictyon zich ooit eens zal laten snappen. Seilacher: „Ik denk dat zoiets alleen zal lukken als we robots gebruiken die op de zeebodem op wacht gaan staan totdat de eigenaar langs komt.”

Bekijk foto’s van de zoektocht via nrcnext.nl/links