Wandering

Vroeger waren er dagen, weken soms, zonder vooropgezet plan. Ik kon zo vroeg of laat opstaan als ik wilde, het park inlopen of de trein nemen naar zee. De dagen strekten zich voor me uit als eindeloze lopers, die loom en enigszins verveeld, licht krullend aan de randen lagen te wachten om betreden te worden. Het was best lastig om die dagen goed te laten verlopen. Als een evenwichtskunstenaar balanceerde ik tussen wat noodzakelijk was en de wens het onverwachte een kans te geven.

In de documentaire Man on wire (2008) hoorde ik de Franse evenwichtskunstenaar Philippe Petit zeggen dat de dood rondom hem is wanneer hij op een iele kabel staat, hoog tussen twee gebouwen in. Ik vond het schokkend om de lucht, de ruimte om hem heen, te zien als de dood. Alle ijlheid werd solide. Wat een reeks eindeloze mogelijkheden had geleken, spande zich nu onwrikbaar boven de stad. De evenwichtskunstenaar heeft natuurlijk gelijk: één stap buiten de lijn die hij gespannen heeft, en hij stort de dood tegemoet.

Ik kan nog steeds naar buiten gaan en wat rondkijken, maar als ik niet op een bepaalde tijd begin met werken of op een afspraak verschijn, kom ik in de problemen. Omdat ik binnen een uur, of een aantal uren terug moet zijn, krijgt zo’n uitstapje iets geforceerds. De beste wandelingen beginnen zonder vooropgezet plan, en hebben een open einde.

De ideale wandeling is, zoals het beste schrijven, doelloos. Begint zomaar ergens, en invallen zoals bomen, een balancerende Fransman en wolkenluchten krijgen de kans om zich aaneen te rijgen tot een verhaal dat achteraf de indruk wekt zó en niet anders te hebben kunnen verlopen. In Nederland lukt het me zelden om de ideale wandeling te maken.

Wanneer ik in Engeland ben, ga ik vaak gewoon wat rondlopen, om te zien waar ik uitkom. Dat heeft te maken met het feit dat ik daar meestal op vakantie ben, terwijl ik in Nederland leef volgens een agenda die mijn dagelijkse bezigheden dicteert, maar ook dat ik in Engeland ‘wander’ en in Nederland ‘wandel’. ‘Wandering’ kan alle kanten op gaan, als een opstekend briesje dat nog geen richting heeft. ‘Wonder’, en ‘verwonderen’ klinken erin door. Het Nederlandse ‘wandelen’ dekt deze lading niet. ‘Wandering’ doet mij geloven dat ik een wonder kan aantreffen en mogelijk veroorzaak door op het juiste moment langs de goede plek te gaan. Ik moet goed opletten terwijl ik me zo nonchalant mogelijk voortbeweeg, het wonder kan zo voorbij zijn.

Philippe Petit springt op, om me erop te wijzen dat zijn ideale stappen juist tot in de kleinste details gepland zijn. Toen de Twin Towers nog slechts uit schetsen bestonden, droomde hij al van het lopen over een touw dat hij ’s nachts, in het grootste geheim, tussen de torens zou spannen. Toen hij las over de plannen voor de gebouwen raakte hij geobsedeerd door het idee de torens te overmeesteren. Jaren besteedde hij aan de voorbereidingen, om uiteindelijk – alsof het niets was – op een ochtend in 1974 op een suizende hoogte van de ene naar de andere toren te lopen.

Een gespannener wandeling bestaat niet, en toch nadert deze perfectie. Volmaaktheid van lichamelijke en geestelijke beheersing, en eenvoud. Met zijn lichaam en een kabel zorgt Petit voor een visioen: een man loopt door de lucht. Kalm, alsof hij aan het wandelen is, en door een plotselinge inval zo de hoek om kan slaan.