Voetbaloorlog in een stadspark

Een Amerikaans voetbalteam van vluchtelingetjes met een linkse lesbienne als coach mag van de burgemeester niet trainen in het stadspark. Een ontroerend verslag van integratietroebelen.

Warren St. John: Outcasts United. A Refugee Team, An American Town. Spiegel & Grau, 307 blz. € 24,95

Nergens bestaat zo’n grote weerzin tegen voetbal als in Amerika. Dat blijkt zelfs in het Congres, waar de conservatieve politicus Jack Kemp een vurig pleidooi hield tegen een resolutie die het WK-voetbal van 1994 naar Amerika moest halen. „Het is belangrijk dat de jeugd weet dat je bij het echte voetbal de bal trapt én gooit, je ermee rent én hem in iemands handen drukt. We moeten een duidelijk onderscheid maken: football is democratisch en kapitalistisch, soccer een Europese socialistische sport”. Echte Amerikanen voetballen niet, dat is de kern van het verhaal van de anti-voetballobby in Amerika. Het is een sport voor commie pansies; communistische nichten.

Iedere Amerikaanse voetballiefhebber kent deze haat. Neem de auteur Dave Eggers, die zich in zijn bijdrage aan The Thinking Fan’s Guide to the World Cup (2006) herinnert dat zijn gymleraar „een meeslepend verband wist te leggen tussen voetbal en de architecten van het IJzeren Gordijn”. Of neem de Amerikaanse sportjournalist David Hirshey. Zijn baas raadde hem af nog langer over voetbal te schrijven, een sport voor „mietjes en meisjes”.

Het vervelende voor Amerikaanse voetballiefhebbers is dat deze diskwalificaties een kern van waarheid bevatten. Eén: voetbal komt uit het buitenland, sterker, uit het land van de vroegere kolonisator. Twee: de Amerikaanse variant van voetbal, American football, is louter een mannenaangelegenheid. Rest voor de meisjes de buitenlandse variant. En dan het linkse karakter. Voetbal werd in de jaren zeventig van de vorige eeuw omarmd door progressieve babyboomers die het, na hun hippie- of flower-powerperiode, meenamen naar de chique, lommerrijke buitenwijken van de grote Amerikaanse steden. Deze progressieve, hoogopgeleide kosmopolieten, die voor Amerikaanse begrippen opvallend homovriendelijk zijn, gaan prat op de Europese oorsprong van het spel en stemmen op politici die doorgaans tolerant staan tegenover die andere liefhebbers van voetbal: de net gearriveerde immigranten uit Zuid-Amerika en Afrika. Daarom weten Amerikanen: de liefde voor voetbal is een goede indicator van politieke voorkeur. Voetballiefhebbers stemmen overwegend democratisch. In dat besef kondigde de burgemeester van het stadje Clarkston, in het zuidelijke Georgia, twee jaar geleden een verbod af op voetballen in het gemeentelijke park. „Zolang ik burgemeester van deze stad ben”, verklaarde hij tegenover een lokale krant, „zal hier alleen [American] football en honkbal worden gespeeld. Dat is waar dit park voor was bedoeld.” Belangrijk detail: alleen onlangs gearriveerde, jonge vluchtelingen gebruikten het veld om te voetballen.

Vluchtelingenteam

Een verslaggever van The New York Times, Warren St. John, reisde af naar Clarkston om verslag te doen van de kwestie. Daar vond hij een stadje dat in enkele jaren tijd drastisch van bevolkingssamenstelling was veranderd, omdat vluchtelingenwerk het oog had laten vallen op enkele leeglopende, goedkope, maar redelijk onderhouden appartementencomplexen in Clarkston. Sindsdien domineren moskeeën, Indiase kruideniers en Aziatische importwinkels het straatbeeld van het voorheen blanke stadje.

St. John was direct gefascineerd door de drie jeugdteams die in het gemeentelijke park training kregen van een jonge vrouw, Luma Mufleh. Onder de naam de ‘Fugees’ liet zij de tieners, afkomstig uit de gruwelijkste brandhaarden van de wereld, meedoen aan de reguliere competitie, met verder louter welgestelde jongens uit de buitenwijken van Atlanta. St. John nam een jaar verlof, vestigde zich in Clarkston en volgde de drie teams een seizoen lang. Hij schreef daarover het boek Outcasts United. Ondertitel: ‘Een vluchtelingenteam en een Amerikaans stadje’.

De oude bewoners hebben moeite met de veranderingen. De kerk paste zich aan en raakte vol met nieuwelingen, maar het buurthuis niet en de lokale politiek al evenmin. ‘Old Clarkston’ bepaalt daar de toon, permanent klagend over verloedering en criminaliteit, want de soccer people geven niets dan problemen. Die vertellen de verslaggever, op hun beurt, over toenemend politiegeweld en nare staaltjes van racisme. Zo werd St. John chroniqueur van een multicultureel drama in een klein Amerikaans stadje. En een die laat zien hoe de jonge vluchtelingen alleen in het voetbal enig houvast vinden; het geeft ze een gemeenschappelijke taal en voorziet ze van de zorg en toewijding van Mufleh, de trainer-coach.

Mufleh voldoet haarfijn aan het stereotype van de Amerikaanse voetballiefhebber: ze is lesbienne, komt van een welgestelde, maar buitenlandse familie en genoot haar opleiding aan Smith College, een duur links-elitair universitair bolwerk in het noordoosten van het land. Haar auto: een knalgele Volkswagen Kever. Ze voldoet daarentegen allerminst aan het beeld van de typische sociaal-werker die in Nederlandse vertellingen over de multiculturele samenleving figureert. Ze is keihard. Alleen discipline, zo meent ze, leidt tot overwinningen en tot de teamspirit die de vluchtelingenkinderen nodig hebben om te overleven in de voor hen volkomen vreemde Amerikaanse samenleving. Dat geloof in discipline leidt tot harde confrontaties en ontroerende passages. Zoals over het Liberiaanse sterspelertje van het team onder de dertien, Prince, die alleen door de Fugees van het kwade pad blijft. Hij laat in de zomer zijn haar lang groeien, in ‘dreads’. Daarmee schendt hij een regel: ‘Het haar mag nooit langer dan dat van coach’. Als Prince het niet afknipt, mag hij niet door naar de onder-vijftienjarigen. Andere voetballertjes kiezen zijn zijde: voetballen doe je immers niet met je haar. Speler én coach zijn koppig: Prince verdwijnt. De sfeer in het team verslechtert.

‘Culture wars’

Tegelijk ontfermt Mufleh zich over de jongetjes, soms tot ver achter de voordeur, door voor ontbijt te zorgen, werk voor de moeders te zoeken en hun papierwerk te doen. Ondertussen verliest ze haar vermogen tot ontroering niet, bijvoorbeeld over het negenjarige talent dat de eerste training bezoekt met één voetbalschoen, die hij nog van zijn in Congo verdwenen vader heeft. Soms strijkt ze de hand over het hart, zoals voor een dik Bosnisch voetballertje dat niet goed genoeg is, maar dat door zijn totale overgave aan het team en het spel toch een basisplaats krijgt, en de waardering van zijn elftalgenoten.

Door de wedstrijdverslagen en familiegeschiedenissen van de voetballertjes heen toont St. John zich voortdurend bewust van de culture wars die het politiek-culturele leven van Amerika al sinds de jaren zeventig bepalen, een oorlog waarvan ook voetbal deel uitmaakt. Hij verbindt die aan de moeizame omgang met immigranten. Maar juist wanneer de lezer definitief de zijde van de vluchtelingen wil kiezen, wekt St. John met enkele levensschetsen sympathie op voor de oude inwoners, die houvast zoeken in nostalgie naar een tijd zonder uitheemse zaakjes, en mét american footbal, baseball en basketball. St. John laat zien, en begrijpt, hoe de oude blanke middenklasse de angst voor mondialisering projecteert op de ‘exotische’ voetbalsport.

Die complexiteit laat onverlet dat St. John aan het slot van het boek uitpakt met een onversneden happy ending. Verlossing voor de Fugees: de voetbalgekke lesbienne wint de strijd om het veld. Burgemeester Swaney, een ex-loodgieter met walrussnor, bezwijkt onder de druk. St. John: ‘Net als de meeste politici was Swaney’s achilleshiel zijn verlangen om aardig te worden gevonden’. De harde berichten over de kwestie, nota bene in landelijke kranten, lieten hem niet onberoerd. Bij een laatste resolutie van de gemeenteraad die de Fugees toestaat te voetballen op het mooie, verder ongebruikte sportveld in het gemeentelijke park, stemt hij mee met de meerderheid. Voor. Maar zijn achterban heeft hij nooit meegekregen. Bij de stemming in de raad zit zijn vrouw op de voorste rij. Als haar man zijn hand opsteekt, schudt ze haar hoofd in ongeloof. Zelfs hij blijkt niet in staat om de nieuwe, oprukkende wereld van voetbal en verloedering te stoppen.

Voor Mufleh is de overwinning zoet. Zij kan verder met haar levenswerk, met de complimenten van de lezers. Toch is ook voor hen duidelijk – daarvoor heeft St. John ze goed genoeg geïnformeerd – dat ‘eind goed’ in dit geval niet ‘al goed’ betekent. Daarvoor verloopt het leven buiten het voetbal voor veel van de jongens te moeizaam. En daarvoor is, zo blijkt zonneklaar uit dit boek, zelfs die veelgeprezen Amerikaanse samenleving niet open en sociaal mobiel genoeg.