Seks, seriemoord en slechte spelling

Lieneke Dijkzeul schiet in eenvoudige bewoordingen raak, constateert Gert Jan de Vries naar aanleiding van haar vorige maand verschenen thriller De geur van regen (Anthos, 19,95) n Zie pagina 11

Lieneke Dijkzeul: De geur van regen. Anthos, 270 blz., € 19,95

Bierbuiken, schetterende muziek en wildplassers: zie hier het beeld van Nederland door Lieneke Dijkzeul. En daarnaast, los van het gegeven dat er in haar nieuwste boek een gek rondloopt die roodharige vrouwen vermoordt en scalpeert, is er normloosheid, zorgeloosheid en roekeloosheid waaraan Dijkzeuls personages zich storen. En slechte spelling.

Om je flink te kunnen storen, moet je goed observeren en dat kunnen ze, de ronde karakters uit Dijkzeuls romans. Neem hoofdpersoon Paul Vegter, inspecteur bij de recherche in een naamloze stad dichtbij zee. Hij bedenkt over een gehavende collega: ‘Ze wás jong, dacht hij. Ze vond veertig oud. Ze had nog geen weet van verval, kende nog niet de verbazing en het gevoel van vervreemding bij het zien van een lijf dat toegaf aan de tijd, en steeds minder bij de geest leek te horen.’

Of het nu om menselijk gedrag in het klein of in het groot gaat, om vogeltjes, plantjes, een kat of de atmosferische omstandigheden: Dijkzeul schiet in eenvoudige bewoordingen raak. Vasthoudend aan een herfstig melancholieke instelling, doet Dijkzeul in dit boek maar één concessie aan het grotere verhaal waarvan haar romans deel uitmaken: de liefde tussen Vegter en zijn vrouwelijke ondergeschikte bloeit nu eindelijk op.

Eigenlijk zet Dijkzeul een spiegel neer waarin ze twee soorten liefdesrelaties toont. De ene soort betreft de snelle hormoongedreven liefde. Die is grof, ruw, bezitterig en die behoort toe aan de crimineel van het verhaal die leeft van zijn driften en zweert bij de roes. De andere soort is braaf en degelijk, ouderwets eerlijk en schuchter. Zo schuchter zelfs dat Vegter en Renée eerst door het lot op elkaar geplakt moeten worden voordat ze beseffen dat ze een paar zijn.

Dijkzeul lijdt aan heimwee naar een Nederland dat misschien wel nooit heeft bestaan. Ze moppert daar niet over, dat laat ze haar personages doen. Die lopen net zo hoofdschuddend de wet te handhaven als Wallander, Erlendur en Beck, hun Scandinavische collega’s aan wie ze nauw verwant zijn.

In De geur van regen worden jonge vrouwen aangevallen, gestoken en gescalpeerd. Er is overduidelijk een seriemoordenaar aan het werk en Dijkzeul laat de lezers vroeg in het boek weten wie die man is. Ze portretteert de crimineel en zijn slachtoffers alsmede de politiemensen, waardoor de lezer overzicht krijgt – en houdt – over het geheel. Niettemin, of misschien wel daardoor, blijft het spannend. Als bij een goochelaar zonder hoed en mouwen zie je alles en blijf je geboeid.

Het blijft in politieromans een kwestie van het fatsoen tegenover het onfatsoen, van de misdaad tegenover de gerechtigheid. Bij Dijkzeul staan gerechtigheid en fatsoen op een lijn met natuur, al zijn natuurlijke driften dan weer verdacht. En laten we de hoge cultuur niet vergeten waar Paul Vegter als fervent lezer en liefhebber van klassieke muziek zo van kan genieten.

Sociaal-realistische misdaadauteurs hebben allemaal hun program. Stonden Sjöwall & Wahlöö sceptisch tegenover de socialistische verzorgingsstaat en lijkt Mankell uit op zuiverheid van politieprocedures, Dijkzeul toont zich een cultuurpessimist. Of dat terecht is of niet, is bijzaak. Het levert schitterende figuren op.