'Schrijven voelt niet als vak'

Het konijn Pons maakte een onvermoede zachtheid in hem los, de kiem van een nieuwe roman. Thomas Rosenboom: „Ik wil mijn lezers optillen uit hun leven.”

Er stroomt veel water in het werk van Thomas Rosenboom. De nieuwe man (2003) was gewijd aan het reilen en zeilen van een scheepswerf bij Appingedam. De turfstekers in Publieke werken (1999) werden over het water naar een betere toekomst in Amerika gevoerd. En er is de trekschuit waarmee Willem Augustijn, de hoofdpersoon van Gewassen vlees (1994), zich regelmatig liet vervoeren.

In zijn nieuwe roman, Zoete mond, is een prominente rol weggelegd voor de Rijn en zijn vele vertakkingen. Rosenboom laat er niet alleen vrachtschepen passeren, maar ook een grote witte walvis. Een historische gebeurtenis, want in 1966 zwom een witte beluga, afkomstig uit Canada, vanuit de Noordzee de Rijn op. Hij ging stroomopwaarts via Duisburg en Keulen naar Bonn, waar hij een dag bleef hangen voor de regeringsgebouwen. Na een maand vond hij eindelijk de weg terug naar zee.

Bij de zandafgraving waar hij en zijn familie vroeger de weekeinden doorbrachten, situeerde Rosenboom het dorpje Angelen, vlakbij Lobith. Daar, in Angelen, speelt zich van alles af, met als hoogtepunt het langszwemmen van de verdwaalde walvis.

Net als in Publieke werken koos Rosenboom voor een dubbelperspectief. Hoofdpersonen zijn Rebert van Buyten, voormalig dierenarts en weduwnaar, en Jan de Loper, een ooit vermaarde wandelaar en grappenmaker. Twee buitenbeentjes. Terwijl Jan vergeefs hengelt naar nieuwe roem, wordt Rebert onbedoeld populair bij de kinderen in het dorp nadat hij een aangereden hond heeft weten op te lappen. Ze komen na schooltijd bij hem langs om hun blakende dieren te laten zien. Rebert geeft gemalen krijt mee als ‘medicijn’. Hij legt zich in Rosenbooms woorden toe op ‘het cureren van gezondheid met kalk’. De enige dorpeling met wie Jan de Loper omgaat, is een veelgeplaagde bakkerszoon. Hij heet Donald Duk, een naam als ‘een feestneus die je niet af kon zetten.’

Zoete mond is een typische Rosenboomroman: tragisch en toch ook geestig, onheilspellend en toch ook hoopgevend – een grillig geheel van historische en verzonnen verhalen met een ongewis einde. Ontroerender, zachtaardiger, ook iets gewoner van stijl dan we van hem gewend zijn. Het boek laat zich niet eenvoudig samenvatten.

„Dat snap ik wel”, zegt Thomas Rosenboom, in zijn Amsterdamse binnenstadswoning. „Het verhaal is minder heftig dan anders. Als water niet zo hard stroomt, gaat het kronkelen. Dan krijg je een delta en dat heeft iets lieflijks. Ik zie dit boek als een meanderende rivierdelta. Mijn eerdere boeken hebben net iets meer richting en vaart.”

Vanwaar al dat water?

„Ik ben een watermens. Wat anderen hebben met bergen, dat heb ik met water. Als ik ergens kom waar ik nog nooit ben geweest, ga ik op zoek naar een meer of een rivier. Ik fiets graag langs het IJsselmeer en dan kijk ik naar boten. Ik begin elke dag met een wandeling. Dan loop ik voor mijn gevoel de stad uit, recht naar het IJ.”

Wat vormde de aanleiding tot deze meanderende roman?

„Bij mijn andere boeken had ik eerst een verhaallijn, nu begon het met een gevoel. De aanleiding was Pons, het konijn dat hier een jaar of zes geleden gekomen is. Mijn ex-vrouw en ik hadden ons opgegeven als pleegouders voor een puppy, die zou worden opgeleid als blindengeleidehond. We kregen huisbezoek van iemand van die vereniging om te kijken of we geschikt waren. We werden afgewezen. Omdat we toch iets levends in huis wilden, schaften we een konijn aan. Pons was dus eigenlijk tweede keus. Maar hij maakte veel onvermoede zachtheid in mij los.

„Dat veranderde mij. Ik zag op straat ineens ook veel mooiere dingen dan daarvoor. Daar wilde ik iets mee doen, met die zoete mond, met dat weekmakende gevoel van dierenliefde. Dat was wat mij bewoog en daar heb ik van alles bijgezocht. In mijn pamflet Denkend aan Holland (2005) speelde het ook al een rol. Daarin stelde ik voor om gewelddadige criminelen naar natuurprogramma’s te laten kijken in plaats van naar agressieve films. Maar beter nog lijkt het mij nu dat ze een dier krijgen, om voor te zorgen. Je moet natuurlijk niet als enige gevangene een hamster in je cel hebben en daar dan over praten op de luchtplaats – dat is zelfmoord. Maar als iedereen er eentje heeft, kan ik me voorstellen dat dat tot een algemener besef leidt dat andere wezens ook gevoel hebben en pijn kunnen lijden.

Is een dierenvriend een beter mens?

„Je denkt dan natuurlijk meteen aan Hitler en zijn hond, maar ik denk wel dat dierenvrienden aardiger zijn dan dierenhaters. Belangeloos zorgen voor een dier zie ik als een oefening in menselijkheid. Toen dat dierengevoel in mij losbrak, herinnerde ik mij een documentaire die ik had gezien op tv over die Canadese walvis, die een maand lang door de Rijn zwom. Wat mij aangreep was minder het dier zelf dan de mensen die ernaar keken. Hun gezichten stonden strak van ontroering. Ik denk dat dat te maken had met het overweldigend witte, dat sprookjesachtige en onschuldige van het dier, dat zo’n contrast vormde met dat vervuilde, giftige Rijnwater. En zo kwam ik op het idee van een klein, zelfbedacht dorpje aan de Rijn, waar ik een dierenarts in wilde hebben die geen serieus te nemen praktijk uitoefent, maar die wel de dierenliefde bij de dorpelingen kan laten ontbranden. En daar komt dan op zeker moment die vis voorbij zwemmen: als cumulatiepunt van dierenliefde.”

En als de vis voorbij is, dan stort de dierenliefde weer in.

„Ja, dan is het sprookje uit. Zo zit het hele boek in elkaar. De vis verschijnt en verdwijnt weer. De dierenliefde steekt op en gaat weer liggen. Er komt een man in het dorp wonen en hij gaat weer weg. Roem komt en gaat. De hele tijd gebeurt er iets en dan houdt het weer op. Het is een golfbeweging. De mensen worden opgetild en weer neergelaten, door de gebeurtenissen en door het lot. Zo hoop ik dat de lezers ook door het boek worden opgetild uit hun gewone leven – dat het een belevenis is.”

Het gaat toch niet alleen om golfbewegingen? Er zitten flinke tegenstellingen in het boek.

„Het gaat mij ook om contrasten. Jan de Loper heeft een enorme geldingsdrang, maar Rebert totaal niet. Gek eigenlijk dat ik mij met Rebert veel meer verwant voel. Hij is overdreven bescheiden en totaal niet fanatiek, zoals al mijn andere romanfiguren. Hij heeft geen enkele drang. Hij is iemand die denkt dat hij klein moet zijn en dienstbaar. Jan de Loper heb ik ontleend aan een biografie over Kees de Tippelaar, een man die rond 1870 beroemd werd omdat hij allerlei voettochten maakte en zich excentriek gedroeg. De man wekte een grote afkeer in mij op. Die afkeer overviel me eigenlijk net zo als de dierenliefde die het konijn opwekte. Dierenliefde en afkeer, die twee moesten samen een soort balans gaan vormen.”

Is die afkeer gebleven?

„Als je je langere tijd in iemand verdiept, dan krijg je toch ook een soort begrip. Te prijzen valt in Jan de Loper, hoe afstotelijk hij verder ook is met zijn afgezaagde grappen en grollen, dat hij zich sterk maakt voor een jongen als Donald Duk, die al zijn hele leven wordt gepest met zijn naam. Hij helpt hem emigreren naar een Afrikaans land, waar niemand de Donald Duck leest. Dat verwacht je toch eigenlijk niet van zo’n egocentrische man. Bijzonder is ook zijn reactie als hij erachter komt dat Donald elke middag met zijn Vlaamse Reus in de zandbak zit om zijn dierenliefde ongestoord te kunnen botvieren. ‘Die aanblik komt mij niet toe’, denkt hij dan. En dan wendt hij zich af. Een mooi moment. Ik zie het mijn andere personages eerlijk gezegd nog niet doen!

„Toen ik begon in te zien hoe eenzaam Jan de Loper eigenlijk was, verging mij het lachen wel. Als je vanuit die leegte grappen maakt, is het toch wel heel tragisch.”

Rebert doet aan hardlopen. Op het eind van de roman loopt hij weg, om nooit meer terug te komen, zo lijkt het.

„Toen ik een jaar of vijf geleden aan deze roman begon, ging het niet zo goed met mij. Iemand raadde mij aan om te gaan hardlopen, want dan liep je de malaise er wel uit. Dat heb ik inderdaad gedaan. Als je wat oefent, is het wonderbaarlijk hoe snel je vooruit gaat. Ik kon op een gegeven moment, net als Rebert, wel twee uur lopen zonder echt moe te worden. Dan is het net of je bewustzijn achterblijft. Je bent alleen nog maar gedachteloos aan het lopen. Het is een manier van ophouden met bestaan. Toen ik het niet meer nodig had en weer goed aan het schrijven was, ben ik er meteen mee gestopt.

Heeft u toen nog lang over ‘Zoete mond’ gedaan?

„Ik heb er de afgelopen vier jaar elke werkdag aan geschreven. Eerst op het NIAS [het verblijf voor wetenschappers in Wassenaar] en later in een werkkamer bij de uitgeverij. Ik bleek thuis niet goed meer te kunnen schrijven. Ik kon niet omgaan met de vrijheid. Zonder werk in de maatschappij, zonder kinderen die structuur aanbrengen en op een gegeven moment ook zonder relatie. Ik had geen reden om op te staan en bleef steeds langer liggen. En als ik dan eindelijk op was, dan had ik geen haast om te beginnen. Het uitstellen, wat ik dan voorbereiden noemde, duurde steeds langer. Ik was tot een uur of zeven ’s avonds bezig met boodschappen doen, roken, wandelen, opruimen en schoonmaken en dan begon ik al moe.

„Bij het NIAS, bedoeld om mensen vrij te stellen van hun dagelijkse verplichtingen, zodat ze ongestoord aan een boek of een artikel kunnen werken, beviel het mij erg goed. De geleerden daar zijn allemaal mensen met een normaal leefritme. Die beginnen allemaal om 9 uur, lunchen om half 1 en houden om 6 uur op met werken. Ik ging vanzelf meedoen. Ik had altijd twee problemen: om te beginnen en om op te houden. Vooral het einde van de werkdag was cruciaal. Als je om 6 uur moet ophouden, moet je dus wel eerder beginnen, anders is het een mislukte dag. En dan ga je ook vanzelf wat eerder naar bed. Het voelde als een verlichting.”

Een van de hoogtepunten in het boek is de beschrijving van een zeiltocht bij zwaar weer.

„Dat heb ik ooit zelf zo meegemaakt, een jaar of twintig geleden, met mijn zwager. De mast kwam los en de motor deed het niet meer. We konden alleen nog maar ankeren en hebben ons uiteindelijk naar de wal laten slepen.

„Zeilen is welbeschouwd het enige wat ik echt goed kan. I was er altijd ongelooflijk handig in. Ik doe het nooit meer, maar ik zou het zo weer kunnen. Maar ik zou nu niet zomaar iets kunnen verzinnen, hoe raar dat misschien ook klinkt. Als je nu aan mij zou vragen om die orchidee daar te beschrijven, dan is mijn beschrijving niet mooier of beter dan die van een ander. Schrijven voelt niet aan als een vak dat je beheerst, zoals zeilen. Je moet het hebben van invallen. En het lukt alleen als je in vorm bent.”

Thomas Rosenboom: Zoete mond. Querido. 550 blz. € 22,50 (pb), € 28,50 (geb.)