Regen op de braderie

Willem Wilmink Fotoarchief NRC NRC Handelsblad

Willem Wilmink: Verzamelde Verhalen. Nijgh & Van Ditmar. 416 p. € 24,50

Het eerste verhaal in de Verzamelde Verhalen van Willem Wilmink (1936-2003) is ‘Kleine idylle’. Het is het verslag van een warme zomerdag, door de ogen van een kleine jongen die ziek is en in bed moet blijven. Het is een verhaal van vroeger: ‘Een kar ratelde op straat, en hij hoorde paardenhoeven klateren.’ Ook de beschreven gevoelens doen ouderwets aan: ‘Wat was het eigenlijk fijn, naar Vader te verlangen.’ Er is aandacht voor lichtspinsels, bloemengeuren en klanken, voor ‘de zonomschenen dingen en geluiden’, alles heel dichterlijk. Tussen de regels door valt te lezen dat het oorlog is, met sirenes, vliegmachines, schuilkelders en kinderangst. Je hoeft niet veel van Wilmink te weten om te zien dat hij hier zijn eigen herinneringen als zevenjarige heeft opgeschreven.

‘Kleine idylle’ is geen goed verhaal. Het is meer een opsomming van indrukken. Wilmink was negentien jaar toen hij het schreef, in 1956. Vrij snel na dit verhaal, dat hij ongepubliceerd liet, koos hij voor een genre dat hem veel beter lag: het gedicht.

‘Kleine idylle’, negen pagina’s lang , is het begin van Verzamelde Verhalen. Helemaal aan het eind staat ‘Twents over de oceaan’, het kortste stuk uit het boek. Niet meer dan een notitie, aangetroffen in de nalatenschap. Het vertelt van Tineke en Jan, die lang geleden vanuit Twente naar Amerika zijn geëmigreerd en nu weer even in Enschede zijn. Tineke vraagt aan Jan: ‘Zolt dee leu doar nog woon’n?’ Maar Jan weet: ‘God, nee, Tineke ... deej bint allang votmoefd.’

Tussen deze twee uitersten bevinden zich de verhalen van Wilmink. Niet alleen letterlijk, maar ook chronologisch en stilistisch. Veel van Wilminks proza komt voort uit een persoonlijke impuls: het sentiment van het angstige kind dat de wereld niet aankan en zich daarover beklaagt. Daartegenover staat de nuchter registrerende, veel onpersoonlijkere schrijver Wilmink, de journalist met het scherpe oog voor taal, sterke scènes, grappige voorvallen – van de zijkant bekeken. Beide kanten zijn voortdurend aanwezig, maar als je deze verzamelde verhalen van voor naar achter leest, zie je wel dat de angstige romanticus in de loop der jaren steeds meer plaatsmaakt voor de nuchtere registrator. Vergelijk maar eens de brave en overgevoelige verhalen uit Ver van de stad, zijn eerste jeugdboek, uit 1977, ‘voor jongens en meisjes van 8 jaar en ouder’, met de frisse, zelfbewuste krantenstukken uit het begin van de jaren negentig. Het jeugdboek is geschreven door een droevige oude man. De stukken voor volwassenen juist door een levendig en geestig kind. Wilminks beste verhalenbundel, Het verkeerde pannetje, uit 1984, zit daar precies tussenin.

Intussen gaat het bij Wilmink eigenlijk helemaal niet om verhalen in de traditionele zin van het woord. Hij verzint niets. Het zijn allemaal autobiografische notities. Er zit ook wel erg veel overlap tussen – net als tussen dit proza en Wilminks poëzie, zijn essays en zijn vorig jaar verschenen autobiografie Hier is Prins Zonneschijn (besproken in Boeken. 17.10.08). Dus ook hier weer het verhaal van het bombardement, van broer Hans op schoot bij Sinterklaas en van orgeldraaier Kiel die met zijn vrouw, zijn twaalf kinderen en zijn paard in één huis woonde. Vraag: ‘Stinkt dat dan niet, Kiel?’ Antwoord: ‘O, daar went het paard wel aan.’

De herhaling draagt bij aan het ouwemannengevoel dat boven de verhalen hangt. De grondtoon: vroeger was alles beter en vertrouwd, vroeger leefden vader en moeder nog. In elke romanticus schuilt nu eenmaal een conservatief die de tijd stop wil zetten. In Wilmink huist ook nog een schoolmeester, en een socialist, vastzittend in oude structuren. En dus lezen we weer het schematische verhaal over Willem die voor het goede doel collecteerde in de villabuurt en met bijna niets terugkeerde, terwijl zijn vriendjes in de arbeidersbuurt grote bedragen ophaalden.

Wilminks angst maakte hem al vroeg tot een gevoelige waarnemer. Maar wie vaak bang is, heeft ook veel gevoel voor de bevrijdende lach. Kijk maar: ‘Er zijn veel treurige dingen in het leven. Ziekenhuisbezoeken, begrafenissen, echtscheidingen. Maar niets haalt het bij een braderie.’ Wat is een braderie? ‘Het is een feestelijk bedoelde aangelegenheid, waarbij de winkeliers van een winkelbuurt hun koopwaren buiten uitstallen, onder grote regenschermen, want op braderieën regent het altijd.’

Zulke waarnemingen komen ook veel voor in de columns die Wilmink anderhalf jaar lang schreef voor het dagblad Tubantia – de grootste verrassing van dit boek. Kort, puntig, scherp, met de juiste menging van eigen ervaring en algemene kwestie, van ontroering en afstand. Vermoedelijk komt het door de voorgeschreven lengte: die dwong hem, net als in de poëzie, tot bondigheid. Er is geen ruimte voor zeuren, klagen of herhalen. Er zitten een paar prachtige mini-essays bij. Over het verschil tussen literatuur en lectuur, bijvoorbeeld. Over het Nederlandse lied. Of over de eeuwigheid. Eeuwigheid vinden we ‘een beetje griezelig’, omdat het ons ontglipt zodra we er echt over gaan nadenken. Maar dat is volgens Wilmink niet nodig. We hoeven alleen maar een postbode in gedachten te nemen. Op nummer 35 leest hij: Postbode, wij zijn met vakantie. Post s.v.p. bezorgen op nummer 45. Vervolgens leest hij bij nummer 45: Postbode, wij zijn met vakantie. Post s.v.p. bezorgen op nummer 35. ‘Dat is nu de eeuwigheid, beste lezer, zoals die postbode heen en weer blijft lopen.’