Oude ruzies laaien op door nieuwe taalwet

Hongaren in Slowakije voelen zich bedreigd door een nieuwe taalwet. Die bemoeilijkt de altijd al moeizame verhouding tussen beide buurlanden.

Een uitstervende soort, noemt hij zich. Want in een wereld van navelstaarders is steeds minder plek voor mensen als László Szigeti. Mensen die moeiteloos culturele grenzen oversteken. „Wat ben ik naïef geweest”, zegt de meest invloedrijke uitgever van Slowakije.

Na de val van het communisme geloofde hij dat Midden-Europeanen hun eeuwenoude etnische geschillen eindelijk te boven zouden komen. „We hadden iets gemeen: onze ervaring met het totalitarisme.” De oorlog in ex-Joegoslavië was een grote tegenslag, maar bevestigde opnieuw dat nationalisme een doodlopende weg is.

Nu weet hij het niet meer. Nu zegt hij: de rede is een doodlopende weg. Al weken kijkt Szigeti met lede ogen toe hoe buurlanden Hongarije en Slowakije elkaar bestoken met haat, laster en zelfs geweld. Aanleiding is een omstreden Slowaakse taalwet, een initiatief van de regering van de populistische premier Robert Fico.

De wet, die 1 september ingaat, waarborgt dat Slowaken in eigen land overal Slowaaks kunnen spreken, ook in provincies met veel Hongaren die tot 1920 onderdeel van het Hongaarse Koninkrijk waren. László Szigeti hoort bij die minderheid. Zijn bedrijf, Kalligram, publiceert in het Slowaaks en het Hongaars en is dankzij de nabijheid van de grote Hongaarse markt uitgegroeid tot een uitgeverij van formaat.

Over de wet zelf is Szigeti niet bezorgd. De tekst is vaag, de uitvoering moeilijk. Maar hij is wel geschrokken van de emoties die de wet losmaakt. De buitenissige gebeurtenissen stapelen zich op. Eerst ontzegde Bratislava de Hongaarse president László Sólyom de toegang tot Slowakije, een unicum in de Europese Unie. Sólyom wilde in Komárno, ooit een Hongaarse stad, een standbeeld onthullen van Stefanus I (975-1038), de eerste koning van Hongarije. Een provocatie, riepen de Slowaken.

Daarna blokkeerden Hongaarse nationalisten tijdelijk de brug over de Donau die Komárno verbindt met Hongarije. En woensdag gooiden onbekenden molotovcocktails naar de Slowaakse ambassade in Boedapest. De zelfgemaakte bommen kwamen niet tot ontploffing, maar menige commentator krabt zich achter de oren: is dit EU? Is dit de 21ste eeuw? László Szigeti vreest van wel.

De relatie tussen de buurlanden is altijd moeizaam geweest. De Hongaren hebben de klap van de Eerste Wereldoorlog en het daarna gedicteerde vredesverdrag van Trianon (1920) nooit goed verwerkt. Hongarije verloor tweederde van zijn grondgebied, miljoenen Hongaren woonden opeens in buurlanden.

De Slowaken voelen zich op hun beurt bedreigd door de Hongaarse statuswet, die Hongaren in buurlanden privileges geeft, zoals het recht op medische behandeling in Hongarije of op subsidies voor Hongaarstalige boeken. De onzekere Slowaken – vergeleken met Hongarije is hun land piepjong - zien dat als een aantasting van hun soevereiniteit.

En ze komen nu met een antwoord: de taalwet. Vanaf volgende week moeten Hongaarse artsen in Slowakije, op straffe van geldboetes, ook hun Hongaarse patiënten in het Slowaaks te woord staan. Moeten Hongaarse scholen hun administratie in het Slowaaks bijhouden. Moet László Szigeti achter het Hongaarse Pozsony steevast de Slowaakse naam Bratislava vermelden. „Ik vertik het”, zegt de uitgever. „Laat ze me maar voor de rechter slepen.”

Sinds het aantreden van premier Fico in 2006 is de relatie verslechterd. Daarvoor regeerde de Hongaarse minderheid in Slowakije mee, met een eigen partij, de SMK. Er was dialoog. Maar Fico, een oud-communist, regeert met extremistische partijen, zoals de SNS van Ján Slota, die de Hongaarse minderheid eens „een kankergezwel” noemde.

Fico zelf is niet erg extremistisch, zegt Rudolf Chmel van de nieuwe partij Most (Brug), waarin – voor het eerst - zowel Slowaken als Hongaren zitten. Maar de premier voelt uitstekend aan dat er met nationalistische retoriek stemmen te winnen vallen. „Hij heeft het minder radicale deel van de SNS-agenda geadopteerd”, zegt Chmel. Volgend jaar houdt Slowakije parlementsverkiezingen.

Maar ook in Hongarije is het nationalisme in opkomst: eerder dit jaar drong de extreemrechtse partij Jobbik door tot het Europees Parlement. „Het lijkt wel alsof Slowaakse en Hongaarse extremisten niet zonder elkaar kunnen”, zegt Chmel. „Ze voeden elkaar voortdurend, als in een symbiose.”

De radicalisering in dit deel van Midden-Europa is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Ook hier heeft de bankencrisis hard toegeslagen, vooral in Hongarije, dat aan een internationaal kapitaalinfuus ligt. Maar Szigeti maakt zich vooral zorgen over sluipende Russische invloed. „Vooral Moskou heeft baat bij onrust in Midden-Europa”, zegt de uitgever.

De Russen zien het voormalige Oostblok nog steeds als hun invloedssfeer, de Amerikanen steeds minder. Oud-president Bush wilde in Polen en Tsjechië een ‘raketschild’ bouwen, een installatie waarmee vijandelijke projectielen kunnen worden onderschept. Zijn opvolger Obama lijkt daar niet meer zo zeker van, temeer Rusland grote bezwaren heeft tegen het project.

„We leven in een vacuüm, waar we sinds de val van het communisme niet in hebben gezeten”, zegt Szigeti. „Dat kun je opvatten als een compliment: kennelijk worden we gewoon gevonden en sterk genoeg geacht om op eigen benen te staan. Maar niets is minder waar: we hebben nog steeds hulp nodig. Ik weet zeker dat de Russen hier agenten hebben die de boel opstoken.”

De Hongaarse president Sólyom ging vorige week vrijdag niet naar Komárno. Hij stopte halverwege de brug en gaf daar een persconferentie, waarin hij zijn toegangsverbod diep zei te betreuren. Politicus Chmel is het daar mee eens. „Het was een hysterische actie van Fico”, zegt hij. „Wat zou er zijn gebeurd als de Hongaarse president was doorgelopen? Ik moet er niet aan denken.”

Toch vindt Chmel dat ook Sólyom met vuur speelt. Normaliter ontmoet een president die een grens oversteekt zijn ambtgenoot in dat land - een kwestie van diplomatieke etiquette. Sólyom vond dat niet nodig. Hij zou „als privépersoon” naar Komárno gaan. Voor het eerbetoon aan koning Stefanus I werden geen Slowaakse hoogwaardigheidsbekleders uitgenodigd. „De Hongaarse president kan geen privépersoon zijn”, zegt Chmel. „Ja, als hij op vakantie gaat, dan wel. Maar niet als hij in een ander land met een toespraak een standbeeld gaat onthullen. Een beladen standbeeld bovendien, van de grondlegger van Groot-Hongarije. Bespottelijk.”

Maar Szigeti meent dat Slowakije de sleutel tot het probleem heeft. Want de Hongaarse minderheid heeft na twintig jaar nog steeds geen officiële status in de Slowaakse grondwet. „We zijn overgeleverd aan de grillen van politici”, zegt hij. „Vandaag is er deze taalwet, morgen een andere. Met gegarandeerde rechten zouden we niet steeds in Boedapest aankloppen om hulp.”