Opeens zijn dan je ouders weg

Simon van der Geest Foto Querido jeugdboekenschrijver kinderboekenschrijver Querido

Simon van der Geest: Geel gras. Querido, 10+, 103 blz. €12,95

Wie op een camping een rechthoek geel gras ziet, weet: daar stond ooit een tent. Fieke, de tienjarige hoofdpersoon van Geel Gras, weet nog meer: daar stond de tent van mijn ouders, die nu weg zijn – zonder mij. De debuutroman van Simon van der Geest (1978) opent met een sterk beeld, dat het verhaal in een klap op gang brengt.

De ouders van Fieke zijn haar vergeten, toen die lag te slapen in haar onopvallende tentje in het struikgewas. Nadat Fieke wakker is geschrokken, begint zij een zwerftocht in het nabijgelegen Franse dorpje. Daarbij sluit ze vriendschap met Jantwan, een dikke en onhandige leeftijdgenoot, die is gevlucht voor zijn bedilzieke moeder. Na enkele dagen vol buitenissige gebeurtenissen – bier drinken met een zwerver, zwemmen in de nacht – wordt Fieke gevonden.

Het verhaal ontleent zijn grootste kracht aan de beelden, die het openingsbeeld naar de kroon steken. Fieke is een scherpe waarnemer met een poëtische ziel, die net zo makkelijk stilstaat bij de aanblik van twee pitjes in een appel – ‘een verschrompeld oudemannetjesgezicht’ – als bij de mensen die nauwelijks vooruit lijken te komen als je ze van veraf bekijkt: ‘Alsof de tijd ook gekrompen is’.

Sommige beelden zouden het ook goed doen op toneel, zoals de trui die dient als vlag en de appels die op een hek zijn gestoken. Deze theatrale kwaliteit geeft aan dat de beelden geen blik op de werkelijkheid bieden, maar de verbeelding op gang brengen. Als de twee kinderen zijn opgesloten met enkele duiven, fantaseert Fieke over vogels die nesten bouwen in de haren van Jantwan. Fieke is daarbij ook nog eens heel eigenwijs. Dat leidt tot pijnlijke misverstanden met de dorpsbewoners, die op een gegeven moment allemaal boos lijken te zijn. Dat leidt weer vooral tot grappige misverstanden, zoals de keer dat Fieke in voor haar onverstaanbaar Frans wordt uitgefoeterd terwijl zij denkt complimenten te krijgen. Deze ironie geeft het boek een onnadrukkelijke humor.

Uitgesproken grappig is Van der Geest in de gesprekken, die zich veelal in de fantasie van Fieke afspelen. Zoals wanneer ze zich voorstelt hoe haar ouders haar op het tv-journaal zullen zien en zeggen: ‘Dat is ónze Fieke! Kijk, typisch, typisch Fieke. Dat heeft ze van ons hè, dat beroemde.’ Zeker als Van der Geest aan de gang gaat met steenkolenfrans – ‘zjeveu’ – zijn gedachten aan Annie M.G. Schmidt en de ‘grieven’ (lijsters) in Otje onvermijdelijk.

Dat is een reusachtige naam om een debutant mee op te zadelen. Zeker omdat er hier en daar wel wat valt af te dingen op Geel Gras. Soms overdrijft Van der Geest in zijn jacht op beelden. Alsof een zwempartij in het maanlicht niet genoeg is, schrijft hij ook nog eens: ‘De maanstralen maakten een dansje op ons vel.’ Een groter bezwaar is dat het in de loop van het boek steeds ongelooflijker wordt, dat de ouders hun dochter nog steeds vergeten zijn.

Dat neemt niet weg dat de schouders van Van der Geest de last van grote voorgangers makkelijk kunnen dragen. Want met dit debuut is Van der Geest in een klap een krachtige en originele stem in de Nederlandse kinderliteratuur.