Mooier dan op een schilderij

De Britse beeldhouwer Anish Kapoor maakt kunst van pure kleur, van pigment in poedervorm, zoals dat ook te koop is bij kraampjes in India. In september opent in Londen een overzichtstentoonstelling van zijn werk.

Svayambhu. Al zonder betekenis is het een prettig woord, aangenaam van klank, een briesje, jonge kaas, met drie lettergrepen lang genoeg om een kort gedicht te lijken. Svayambhu. De betekenis is ook niet mis. Svayambhu is, zonder die laatste u, de titel van een werk van de Britse beeldhouwer Anish Kapoor. Dat is al heel wat, want dat werk is een blok rode was dat op rails door de zalen van een museum schrijdt en zo zacht is dat het ook door deuropeningen kan waarvoor het eigenlijk te klein is. Op de sponningen blijft dan rode smurrie achter. Het blok schrijdt voort.

Met ‘u’ wordt het nog beter. Dan is svayambhu een term uit het Sanskriet die zoiets betekent als ‘niet door mensenhand gemaakt maar uit zichzelf ontstaan’. Dat zijn bijvoorbeeld stenen die door een snelstromende rivier geslepen zijn. De stenen uit de rivier Narmada worden door hindoes vereerd als heilige objecten.

Svayambhu. Er zijn vast meer voorbeelden van. Alruinwortels. Schelpen. Fossielen. Dingen die vroeger in Wunderkammers lagen. Alle mooie dingen die geen kunst zijn. En misschien nog wel meer. Het is alsof ik van Kapoor een nieuw stuk gereedschap heb gekregen om mee te denken, alsof er in mijn hoofd opeens een hamer is, een knijper, klittenband.

Op 26 september opent in de Royal Academy in Londen een overzichtstentoonstelling van Anish Kapoor. Svayambh zal daar opnieuw te zien zijn. 26 september is een datum die meteen naar nog een datum doet verlangen. Die ligt nog iets verder weg. Het Hindoestaanse feest Holi wordt volgend jaar op 1 maart gevierd. Wat deze twee data verbindt is kleur. Alle kleur. Rood, geel, blauw, oranje, groen, paars, primair en secundair, intens rood en bleek geel, door Matisse geschilderd oranje, in de prehistorie gedolven oker. Hemels blauw.

Kleur verbindt natuurlijk alle dagen; de hemel is ook gekleurd als hij niet hemelsblauw is. Maar kleur is doorgaans slechts een eigenschap van iets; het bestaat niet zelfstandig, of dat iets nou vanzelf zo gekleurd is of expres. Kleur is bijvoeglijk. Alleen op 26 september en 1 maart is het dat niet; dan is rood niet meer het rood van lippen en stoplichten, is geel niet meer van de zon en van boter, is groen niet meer van gras maar alleen, vrijgevochten, autonoom: groen. Kleur wordt zelfstandig.

Die emancipatie is een sensuele bevrijding. Kleur is niet meer getrouwd maar gescheiden.

De beeldende kunst is het terrein

waarop je die bevrijding het eerst zou verwachten. Kleur is immers een van de instrumenten van de schilder, en vaak waren het hun kleuren die gewaardeerd werden, niet die van wat zij afbeelden. Pierre Kemp had in zijn gedicht niet het joodse bruidje maar het rood van het joodse bruidje lief.

En inderdaad, de abstracte kunst heeft een groot aantal monochrome doeken opgeleverd, waarop de kleur geëmancipeerd lijkt, bevrijd van het lot om andere dingen kleur te geven. Denk aan Rothko. Denk aan Barnett Newman. Denk aan Yves Klein. Denk vooral aan Yves Klein, want Klein beschilderde zijn doeken met een speciaal soort door hem zelf uitgevonden verf, waardoor die poederig lijkt. Daardoor ontstaat de indruk dat blauw geen eigenschap is maar een zelfstandige grootheid, alsof Klein van een gigantisch blok blauw dat ergens op een geheime plek rust een flinter heeft afgesneden en vermalen. Maar ook Kleins schilderijen blijven schilderijen, die, zoals niets in deze wereld, niet tweedimensionaal zijn, maar dat hardnekkig blijven lijken; ook na meer dan een eeuw abstracte kunst zijn het vensters op de werkelijkheid, eerder verwijzend blauw dan blauw.

Echt blauw, dat is het pas voor je er een schilderij mee maakt. Binnen de westerse kunstgeschiedenis is het verdwenen. Je kunt je nog voorstellen dat er vroeger in een kunst- en Wunderkammer een brok lapis lazuli lag in de buurt van een schilderij waar het als kleurstof op was gebruikt. Svayambhu naast niet-svayambhu. Toen waren kunst en de wonderen der natuur nog niet zo van elkaar gescheiden.

Pigmenten kun je nu nog vinden

in ouderwetse winkels voor schilderbenodigdheden, of nog dichter bij de bron, in een verfmolen als De Kat op de Zaanse Schans. Daar kun je kleur per gewicht aanschaffen, een ons Turks blauw, een kilo strooiblauw, of 10 gram lapis lazuli, het blauw der blauwen, dat net als in de klassieke oudheid gewonnen wordt in de bergen van Afghanistan. Het is een sensatie om kleur te kunnen kopen, niet alleen blauw, maar ook allerlei soorten rood, geel, groen, wit, zwart, gemaakt van de meest uiteenlopende grondstoffen, mineraal of plantaardig, vroeger soms zelfs dierlijk (beenderzwart) of menselijk (mummiezwart). Magie. Alchemie.

De meeste pigmenten zijn nu ook synthetisch te maken, er zijn nog maar weinig schilders die zelf hun verf bereiden. Maar hoe ze tot stand komen, is eigenlijk bijzaak. Waar het om gaat, is dat kleur te koop is. Iets wat je kunt bezitten. Van kleur had ik dat nooit verwacht. Maar het winkeltje in de molen op de Zaanse Schans was zo klein en het was er zo donker dat ik ook weer het gevoel kreeg dat kleur toch niet zomaar te koop is. Het leek wel iets illegaals, geen brood maar cocaïne, het pigment discreet verpakt in kleine bruine zakjes. Dat je het kopen kunt is een geheim, gedeeld door een kleine groep ingewijden die niet willen vertellen dat je van pigment geen verf hoeft te maken om ervan te genieten; dat het pigment zelf eigenlijk veel mooier is dan wat de schilders ervan kunnen maken; het rood helemaal zonder het joods bruidje, zonder bindmiddel, zonder doek. Puur rood.

Groot was dan ook de schok toen Anish Kapoor dat rood eind jaren tachtig de kunst in knalde. Niks geen schroom, geheimzinnigdoenerij, getut. Opeens lag het daar op de vloer van galeries, musea en documenta’s. Het was alsof Kapoor kleur zelf tentoon wist te stellen. Vormloos en volmaakt. Puur rood, puur blauw, puur geel. Poeder zo verzadigd van kleur dat het alleen pigment kon zijn, onvermengd. Het was alsof Kapoor alle kunst voor was, alsof uit zijn pigment nog alles kon groeien. Een kunstwerk als dat in de grotten van Lascaux, een kunstwerk van het begin, ook al is het 12.000 jaar jonger dan wat de mensen in Lascaux met behulp van oker op de muren schilderden.

Groot was ook de schok toen in India pigment gewoon op straat te koop bleek, in kraampjes op de markt of langs de weg. Ik zag een keer een foto van zo’n stalletje en het had net zo’n effect als het werk van Kapoor. Rood, roze, blauw, groen, geel, paars, oranje pigment vormde zachte piramides in ronde metalen schalen. Erachter was kleur nog vormlozer, het lag voor het opscheppen in langwerpige bakken. Alsof het ijs was. In sommige bakken stak een lepel.

Anish Kapoor (Mumbai, 1954)

heeft zulke kraampjes ook gezien, vertelt hij wel in interviews. Ze vielen hem op toen hij terugkwam in India na zijn studie aan de kunstacademie in Londen. Ze inspireerden hem tot de serie 1000 Names, het werk waarmee hij doorbrak. Het pigment begon daarin steeds andere vormen aan te nemen: van kleine piramides tot ronde heuvels vol borstvormige uitsteeksels en nog ingewikkelder vormen. Later gebruikte hij pigment om holtes mee te bekleden. Met dit soort werk is hij nog steeds het bekendst. Er is er een, Descent into Limbo (1992), opgenomen in de collectie van museum De Pont in Tilburg. Het lijkt een cirkel op de vloer, een kleedje van fluweel, maar van dichtbij is het een gat dat dankzij het donkere pigment oneindig diep lijkt. Nog iets later hing hij een soort halve bollen aan de muur. Wie er zijn hoofd insteekt ervaart dankzij het pigment weer het oneindig soort blauwe ruimte waar ook Yves Klein naar zocht.

Kapoor heeft zijn oeuvre niet afhankelijk gemaakt van pigment. Hij gebruikt, zeker voor grote sculpturen in de publieke ruimte, tegenwoordig vaak spiegels, zoals voor de immense Cloud Gate in Chicago. In Groningen liet hij vorig jaar bij de firma Centraal Staal een eivormig werk van cortenstaal maken voor het Guggenheim Museum in Berlijn, dat dit najaar in het Guggenheim New York te zien is. Kleur alsof die zelfstandig is blijft wel een rol spelen in zijn werk, zoals in Svayambh.

Ook in India zijn de kraampjes met kleur

geen eindpunt. De pigmenten worden verkocht ter gelegenheid van Holi, een Hindoestaans feest waarmee de komst van de lente wordt gevierd. Bekenden en onbekenden bekogelen elkaar dan met het gekleurde poeder of bespuiten elkaar met gekleurd water. Door de lucht stuiven wolken rood, geel, paars; kleur is misschien niet alleen hoe maar ook wat er met dit festival gevierd wordt. Svayambhu! Het gebruik, dat eeuwen teruggaat, zou begonnen te zijn bij de god Krishna, die zijn geliefde Radha met kleur insmeerde als plagerig teken van liefde. De kleuren zijn nu waarschijnlijk feller dan vroeger, en giftiger. Voor Holi worden tegenwoordig veel synthetische kleurstoffen gebruikt, die gevaarlijk zijn voor huid en luchtwegen, anders dan de plantaardige pigmenten van vroeger. Op websites worden nu recepten gegeven voor het maken van die ouderwetse kleurstoffen. Holi wordt gelukkig niet alleen in India gevierd. Je kunt het ook doen in Den Haag en Rotterdam, in elke stad met een Hindoestaanse gemeenschap van enig formaat. Het lijkt mij leuker dan Sinterklaas.

Holi is folklore, het werk van Kapoor is kunst. Voor kleur doet dat er niet toe. Het onderscheid verpulvert. Kleur is altijd svayambhu.

Anish Kapoor. 26 sept t/m 10 dec, Royal Academy, Burlington House, Londen. Dag 10-18 u, vr. 10-22 uur. Inl: www.royalacademy.org.uk.