Masochisme met een missie

T.E. Lawrence wisselde zijn geserreerde verslag van de Arabische opstand af met passages van intense wreedheid. Hij wilde zijn eigen wil breken.

T. E. Lawrence: Zeven zuilen van wijsheid. Vertaling: Sjaak Commandeur. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 823 blz. € 44,95

Er zijn klassieke boeken waar je je halve leven omheen blijft draaien. Seven Pillars of Wisdom, het verslag dat T.E. Lawrence schreef over zijn aandeel in de opstand van de Arabieren tegen het Ottomaanse rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog, was er voor mij zo een. Misschien zat de mythe in de weg. Lawrence, alias Lawrence of Arabia, is zowel in Engeland als Amerika een cultfiguur, rondom wie een ware kritische industrie is ontstaan. Hij is het object van dwepers en bashers, de feiten van zijn leven zijn eindeloos omstreden, zijn eigen getuigenis vormt het onderwerp van onophoudelijke discussie. Seven Pillars of Wisdom geldt als zijn meesterwerk, maar zijn pleitbezorgers maakten mij nooit goed duidelijk waarom precies. Het leek me een boek voor ingewijden.

Nu ik de nieuwe Nederlandse vertaling van Sjaak Commandeur heb gelezen, is me duidelijk waarom de bewonderaars van Lawrence zo’n moeite hebben de kwaliteiten van zijn schrijverschap over het voetlicht te brengen. Zeven zuilen van wijsheid is een even uniek als vreemd boek. Het is nu eens taai, dan weer opzwepend, het is vaak onpersoonlijk en afstandelijk, dan ineens weer schokkend intiem. Het is een bij vlagen gortdroog verslag van een grotendeels vergeten guerrillaoorlog en tegelijk een nietsontziende zoektocht naar essenties. Ik heb me er doorheen geworsteld, ik kon het niet wegleggen.

Het kan niet anders of al die tegenstrijdigheden raken aan de kern van de man die Lawrence was. De geschiedenis van het manuscript van zijn Zeven zuilen spreekt boekdelen: een eerste versie, begonnen tijdens de vredesconferentie te Versailles in 1919, waar Lawrence deel uitmaakte van het gevolg van Emir Feisal, de leider van de Arabische opstand, raakte hij kwijt bij het overstappen op het station van Reading. Aangezien hij zijn aantekeningen vernietigd had, moest hij een tweede versie geheel uit zijn hoofd herschrijven. Daarna volgde nog een derde versie, die in 1926 als een luxe-editie verscheen in een zeer beperkte oplage. Daaruit destilleerde Lawrence zelf weer een beknopte versie, onder de titel Revolt in the Desert, die een bestseller werd en de basis vormde van zijn wereldwijde roem.

Die typerende mengeling van achteloze bescheidenheid en onverschrokken geldingsdrang vind je ook in het boek zelf. Ogenschijnlijk lijkt Lawrence zich op te stellen als een nauwgezet chroniqueur van de door de Engelsen aangestuurde opstand waarin hij zo’n belangrijke rol speelde. Alle feiten moeten op een rijtje gezet worden, geen naam mag ongenoemd blijven, alle vertakkingen van de Arabische stammen moeten in kaart worden gebracht. Dat leidt tot zinnen als: ‘Tafas was een Hazimi, van de BeniSalem-tak van de Harb, en verkeerde dus niet op goede voet met de Masroeh.’ Lawrence, die zijn loopbaan begonnen was als archeoloog, stelt zich op als een man die de feiten voor zich wil laten spreken – álle feiten.

In korte vignetten zet hij de talloze betrokkenen bij de opstand neer, hij wisselt precieze landschapsbeschrijvingen af met wereldwijze observaties over de aard van het Arabische volk dat hij zo is toegedaan (‘Het laveerde tussen de drogbeelden van de stam en de grot.’) Het succesvolle verloop van de opstand wordt stap voor stap naverteld, tot en met de val van Damascus. Lawrence lijkt hier vooral onberispelijk te willen zijn, een man die zijn eigen rol in de opstand tegen de Turken, aanvankelijk als verbindingsofficier tussen de Engelsen en leiders van de opstand, later steeds meer als gangmaker en aanvoerder, zo bescheiden mogelijk wil neerzetten.

Door dit uitgesponnen relaas loopt een tweede verhaal: het verhaal van een man die alles op alles zet om zichzelf kwijt te raken. De ontberingen die Lawrence moet doorstaan, de pijn en de uitputting van de eindeloze tochten door de woestijn, blijken doelbewust gezocht om zijn lichaam te harden. De lange tochten op kamelen door de woestijn waren voor hem als een tijdelijke ontheffing: ‘Zolang we reden, waren we ontlijfd, ons niet bewust van het vlees of het gevoel, en als tijdens een rust deze trance vervlakte en we ons lichaam wel zagen, dan was het met enige vijandigheid, met het minachtende idee dat het zijn grootste vervulling niet bereikte als voertuig van de geest maar wanneer het uiteenviel in bestanddelen die dienst deden om een akker te bemesten.’

Even daarvoor in diezelfde passage stelt Lawrence dat voor hem lichaam en geest ondeelbaar zijn en het lijkt erop dat hij bijna bewust beide wilde breken. Het geserreerde verslag van de opstand, die grotendeels uit sabotage bestond, wordt afgewisseld met plotselinge passages van intense wreedheid, zoals die waarin Lawrence eigenhandig een doodvonnis moet voltrekken, of wanneer hij zijn dodelijk gewonde dienaar en kameraad Farradj moet afmaken.

Er is het veelbesproken, omstreden hoofdstuk waarin hij beschrijft hoe hij in gevangenschap door Turken gemarteld en meerdere keren verkracht wordt: ‘Ik kronkelde en spartelde maar werd zo onwrikbaar vastgehouden dat mijn geworstel niets uithaalde. Toen de korporaal stopte, namen de mannen het heel weloverwogen van hem over en gaven me een bepaald aantal slagen gevolgd door een pauze waarin ze kibbelden over wie er nu aan de beurt was, zich ontlastten en een onzegbaar spel met mij bedreven.’ Lawrence, zo blijkt uit zijn correspondentie, aarzelde lang over deze passage, maar vond beslist dat die in zijn boek thuishoorde.

Over de aard van deze schokkende onthulling wordt tot op de dag van vandaag gespeculeerd: is het echt gebeurd? Na zijn dood door een motorongeluk in 1935 doken geruchten en getuigenissen op over sadomasochisme: Lawrence zou seksuele bevrediging gezocht hebben door zich te laten afranselen. Omdat hij zijn leven lang exclusief het gezelschap van mannen had gezocht, moest hij ook wel homoseksueel zijn, een gevolgtrekking waarvoor nooit bewijs is gevonden. Sommige van zijn biografen verklaren zijn latere gedrag als het gevolg van het trauma dat hij in de gevangenis van Dera had opgelopen. Andere draaien het om en zien de passage als een persoonlijke fantasie over pijn en vernedering, die iets wezenlijks uitdrukt over Lawrence zelf.

Dat laatste lijkt me na lezing van Zeven zuilen van wijsheid meer dan aannemelijk, hoewel de groepsverkrachting natuurlijk echt kan zijn geweest. Het hoofdstuk eindigt met de veelzeggende constatering dat ‘die avond in Dera de citadel van mijn zelfbeschikking onherroepelijk was geslecht’. De vertaler heeft een bewonderenswaardige prestatie geleverd, maar hier schiet het Nederlands tekort. Lawrence schrijft ‘the citadel of my integrity’ – de integriteit van zijn lichaam is geschonden. Het is de vraag, en volgens mij is het de hamvraag, of Lawrence die schending niet bewust heeft gezocht.

In hoofdstuk 103 van Zeven zuilen van wijsheid ontleedt hij zichzelf genadeloos. Hij worstelt met zijn zelfbeeld: hij acht zich weliswaar genezen van ‘elementaire eerzucht’, maar verlangt nog altijd ‘naar een goede naam onder de mensen. Dit verlangen stemde me ten diepste argwanend ten opzichte van mijn waarachtigheid jegens mezelf. Alleen een te goed acteur wist zo overtuigend een gunstige indruk van zichzelf te wekken. Zie de Arabieren, die me geloofden, zie Allenby en Clayton, die me vertrouwden, zie mijn garde, die voor me stierf, en ik vroeg me zo langzamerhand af of alle gevestigde reputaties op bedrog berustten, zoals de mijne.’

Die laatste notie is wezenlijk – er zijn maar weinig mensen die zich nooit een ten onrechte geprezen bedrieger gevoeld hebben – en je kunt zeggen dat Lawrence erop uit was zijn onbetrouwbare zelf te straffen, of zelfs te vernietigen. In hetzelfde hoofdstuk schrijft hij dat hij om aan zichzelf te ontsnappen het liefst door de ogen van anderen naar zichzelf kijkt; hij is nieuwsgierig naar wat anderen over hem denken en zeggen. ‘De gretigheid om mee te luisteren en mee te kijken naar mezelf, was mijn aanval op mijn eigen ongeschonden citadel.’

My own inviolate citadel – de echo met de passage over zijn verkrachting kan geen toeval zijn. Het was dus altijd de bedoeling dat zijn citadel zou vallen, dat zijn geestelijke en lichamelijke integriteit geschonden zouden worden. Zelfbewustzijn was de aartsvijand – vandaar het loslaten van zijn identiteit als Engelsman, zijn aanpassing aan de cultuur van de Arabische stammen, zijn gezochte beproevingen in de woestijn. Het was allemaal masochisme met een missie. In zijn zelfanalyse stelt hij dat het onontkoombaar was ‘dat ik mijn eigen permanente krijgsraad vormde’. Vernedering, overgave, dienen, alles om zijn eigen afstotelijke wil te breken. ‘Mijn falen kwam deels doordat ik nooit een meerdere had gevonden die me gebruikte. Allemaal hadden ze me, door onbekwaamheid of beduchtheid of sympathie, een te vrije hand gelaten, alsof ze niet zagen dat vrijwillige slavernij de grote trots was van een morbide geest en plaats bekledende pijn zijn diepst begeerde onderscheiding.’

We zijn hier ver verwijderd van het beeld dat Lawrence’s tijdgenoten koesterden: de bescheiden, moedige Engelsman die zo’n beetje eigenhandig een troep woestijnmannen tot een heus volk wist te vormen, allemaal in het belang van zijn eigen vaderland. Verscheidene keren beschrijft Lawrence zijn wroeging over het verraad der Engelsen, die de Arabieren zelfstandigheid beloofden wanneer de oorlog gewonnen was, maar door hun bindende afspraken met de Fransen wisten dat ze zich niet aan die belofte zouden kunnen houden. Ook die wroeging moet koren op de molen van zijn gevoel van onwaarachtigheid zijn geweest. Dat hij die diepere emotie durfde bloot te leggen, zo extreem en tegelijk zo begrijpelijk, geeft dit woeste, propvolle boek blijvende betekenis.