Jihad-toeristen en de moeilijke weg terug

Het kan nog knap moeilijk zijn als geradicaliseerde moslim je steentje bij te dragen aan de ‘heilige oorlog’. Dat blijkt uit een fascinerende rechtszaak die zich deze zomer afspeelt in Düsseldorf. Een groepje van vier jonge mannen staat daar terecht voor het voorbereiden van terreuraanslagen in Duitsland.

Twee van hen zijn autochtone Duitsers, de twee anderen van Turkse afkomst. Ze vertellen in de rechtszaal honderduit: over hun radicalisering, hun reis naar Mekka, hun haat jegens ongelovigen en hun vergeefse pogingen zich aan te sluiten bij de jihad in Tsjetsjenië („daar had men geen behoefte aan vrijwilligers”) en Irak („daar waren genoeg strijders”). Niemand wilde ons hebben, zei een van hen deze week, „we waren enigszins stuurloos”.

In arrenmoede gingen de terroristen-in-de-dop toen maar een talencursus doen in Damascus. Daar hoopten ze niet alleen een woordje Arabisch te leren, maar ook in contact te komen met mensen die hun de weg konden wijzen naar het slagveld in Irak of Afghanistan. Maar in Damascus bleek het te wemelen van de spionnen van de Syrische geheime dienst, dus ook die weg liep dood.

Uiteindelijk lukte het hun terecht te komen in een bescheiden trainingskamp voor terroristen in Zuid-Waziristan, in het westen van Pakistan. Het stelde niet veel voor: een paar lemen hutten, drie of vier instructeurs (die lang niet altijd kwamen opdagen) en een gebrek aan lesmateriaal. Maar ze leerden omgaan met kalasjnikovs en explosieven. En ze werden door hun instructeur overtuigd dat ze in Duitsland meer konden bereiken dan in Afghanistan.

Toen ze in 2007 werden opgepakt, waren ze in een vakantiehuisje in Sauerland bezig met voorbereidingen voor bomaanslagen op Amerikaanse militaire bases en discotheken. Van klungelige jihad-toeristen waren ze op het gevaarlijke punt beland dat ze, volgens de aanklager, een waar bloedbad konden aanrichten.

De leider van het groepje was de 29-jarige Fritz Gelowicz. Zijn moeder is arts, zijn vader ondernemer. Hij ontkent niets. Beleefd staat hij de rechter te woord. Hij kan geen bloed zien, vertelt hij. Of hij berouw heeft wil hij niet zeggen, maar hij zou het niet zo gauw nog eens doen.

Een van zijn kompanen, die aanvankelijk „zoveel mogelijk ongelovigen wilde doden”, distantieert zich nu van de jihad, althans in Duitsland. Een derde vertelt dat zijn arrestatie een opluchting was. En de vierde erkent nu dat de geplande terreurdaden „niet te verenigen zijn met de islam”.

Het lijkt erop dat deze vier, een paar jaar nadat ze op het verkeerde pad zijn geraakt, nu de weg terug zoeken. Ze hebben hun plannen nooit uitgevoerd. Maar is er een weg terug? Ze zullen vast een flinke straf krijgen. Maar durft de rechter, durft de maatschappij, het aan om hen daarna ooit weer op vrije voeten te stellen?

Nog griezeliger is dat in het geval van een andere would-be-terrorist die onlangs uit de anonimiteit trad. Baida is een Iraakse vrouw, moeder van drie jonge kinderen en zelfmoordterrorist. Ze zit in een Iraakse cel, en ook zij vertelt openlijk hoe ze een strijder is geworden en wat haar motieven zijn. Een aantal keer heeft ze in haar cel gesproken met journalist Alissa Rubin van The New York Times, die onder de indruk is van haar openheid en eerlijkheid. „Ik mocht haar meteen”, schrijft ze in een huiveringwekkend portret.

Baida is – anders dan de vier mannen uit Duitsland – geen toerist in de wereld van het terrorisme, en ze is ook niet stuurloos. Haar hele familie was bij de opstand betrokken. Haar broers begonnen na de Amerikaanse invasie bermbommen te maken, vier van hen en haar vader kwamen om, en geleidelijk groeide bij Baida de wil wraak te nemen met een zelfmoordaanslag. Dat idee beheerst haar nog steeds. „Zodra ik vrijkom ga ik naar de indringers en blaas ik mijzelf op”, zegt ze.

Met Rubin ontstond een band. Maar toen die vroeg waarom Baida altijd precies wilde weten wanneer ze kwam, toch niet toevallig om haar medestrijders te tippen?, erkende de vrouw dat ze dat deed.

Ze zit nu nog in de cel, schrijft Rubin, maar als ze straks zegt dat ze geweld verwerpt wordt ze vast vrijgelaten. Terwijl ze dan ongetwijfeld nog steeds van plan is haar droom uit te voeren.

Is zo iemand ooit terug te brengen in de samenleving? In Saoedi-Arabië bestaat een rehabilitatiecentrum voor extremisten. Met hulp van familieleden, geestelijken en psychologen wordt daar geprobeerd ze tot inkeer te brengen. Obama zou er graag tientallen Jemenitische Guantánamo-gevangenen heen sturen.

Ook andere landen ontkomen niet aan de vraag hoe lang extremisten die alleen plannen hebben gesmeed, opgesloten kunnen worden. We willen geen Guantánamo Bay II. Maar we willen ook niet op een dag Baida naast ons zien zitten in de bus, blij dat ze eindelijk haar missie kan uitvoeren.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel