Embargo's zijn niet meer van deze tijd

Maak waar mogelijk een einde aan embargo’s en maak begrotingsstukken openbaar, zodra het kabinet daarover heeft besloten, meent emeritus hoogleraar J.Th.J. van den Berg.

Al vanaf begin juli zeurt de discussie over het embargo op de begrotingsstukken voor Prinsjesdag en de vraag naar het karakter van de Troonrede. Het kabinet heeft er moeite mee de knopen door te hakken. De Eerste Kamer, vooral haar voorzitter, en Tweede Kamer zijn het onderling ook al niet eens.

Het kabinet denkt eraan de begrotingsstukken en de Miljoenennota op vrijdag vóór Prinsjesdag vrij te geven; alleen de tekst van de Troonrede blijft tot Prinsjesdag vertrouwelijk.

De Tweede Kamer is daar wel voor, want dan kan zij haar algemene politieke beschouwingen aanstonds na Prinsjesdag houden. Eerste Kamervoorzitter, mevr. Yvonne Timmerman-Buck (CDA) is daar tegen, omdat dan de koningin wordt gedwongen in de Troonrede oud nieuws voor te dragen. Het probleem van een koningin die oud nieuws voorleest, meent het kabinet te ondervangen, althans zo zei vicepremier Wouter Bos (PvdA) in de zomer, door van de Troonrede een meer ‘visionair’ stuk te maken en minder een lijstje van voorgenomen maatregelen.

Oud-Staatsraad mr. J.J. Vis hield op de Opiniepagina van 15 juli een pleidooi tegen het voortijdig vrijgeven van de Miljoenennota. Zijn argument: dan zou de pers winnen, en zou de constitutionele positie van het parlement ondergraven worden.

Echter, het is achterhaald om te geloven dat nog immer eens per jaar het regeringsbeleid wordt uiteengezet. Dat gebeurt het hele jaar door, met behulp van brieven, nota’s en antwoorden op vragen. De tijd is voorbij dat Prinsjesdag het enige en centrale moment is van bekendmaking van beleid.

Dat geldt de inhoud ervan, maar ook de financiële kant. Door het jaar heen spreken regering en parlement geregeld over financiële vooruitzichten en bijbehorende besluiten. In die zin hebben de begrotingspresentatie en -behandeling, maar ook de Miljoenennota veel aan nieuwswaarde verloren.

De Tweede Kamer is daar niet slechter van geworden, zij wordt nu het hele jaar door bediend. Wat op Prinsjesdag gebeurt is de boel nog eens ordelijk bij elkaar brengen en, als het goed is, de samenhang laten zien. De Miljoenennota slaagt daar meer dan eens heel goed in. Zo worden Prinsjesdag en de algemene beschouwingen daarna een moment van reflectie; ze bieden daartoe in elk geval een mooie gelegenheid.

Communicatie in onze tijd verdraagt nauwelijks embargo’s meer: zij is intrinsiek onderdeel geworden van de beleidsvorming zelf, omdat burgers geen genoegen meer nemen met voldongen feiten.

Er is dus alles voor te zeggen om, waar maar enigszins mogelijk, aan embargo’s een einde te maken en, bijvoorbeeld, begrotingsstukken te openbaren zodra de ministerraad daarover heeft besloten. Hij kan de Miljoenennota dan nog altijd ‘opsparen’ voor besluitvorming en publicatie, kort vóór Prinsjesdag. De Troonrede wordt bekend op Prinsjesdag zelf.

Er is overigens niets tegen om de ceremoniële aanbieding van de begrotingsstukken, vergezeld van de Miljoenennota, op Prinsjesdag in de Tweede Kamer te doen plaatsvinden. Prinsjesdag is grondwettelijk een soort deadline, niet de eerste gelegenheid tot presentatie. De vraag naar de samenhang blijft er voorts een die het waard is te stellen en te beantwoorden, op en na Prinsjesdag.

Minister Bos heeft goed aangevoeld dat de Troonrede van karakter zou moeten veranderen als zij niet meer bestemd is om voornemens uiteen te zetten, want die zijn dan al bekend. (Let wel, dat zijn ze nu ook al.) Vis maakte in zijn artikel nogal de kachel aan met het idee dat de Troonrede een ‘visionair stuk’ zou moeten zijn, zoals Bos suggereerde.

Daar heeft hij gelijk in. De regering is er niet voor de visie, daargelaten of zij ertoe in staat zou zijn. De gewezen Duitse Bondskanselier, Helmut Schmidt, sprak ooit de gedenkwaardige woorden: Wer Visionen hat soll zum Arzt. Een regering hebben wij niet voor visies.

Dat neemt niet weg dat de Troonrede tot een interessanter tekst zou kunnen worden gemaakt, door daarin het accent van de voornemens te verschuiven naar de samenhang en naar de belangrijkste argumenten. Ook dat beantwoordt, misschien wel meer dan de huidige Troonrede, aan wat de Grondwet (in art. 65) vraagt.

Waarom gebeurt dat niet? Dat is niet om de koningin te behoeden voor uitspraken die politiek kunnen worden uitgelegd, al verdraagt een koninklijke speech zich niet met uitgesproken partijpolitiek. Maar goed regeren doet dat evenmin. Wat er gebeurt, is dat alle ministeries zinnetjes leveren voor de Troonrede: ieder wil zijn reukspoor in de Troonrede hebben, met de bekende treurige effecten daarvan.

Het zou ook andersom kunnen: dat de premier, ondersteund door zijn ministerie, een tekst concipieert, waarover hij het eens wordt met zijn vicepremiers en die hij, nadat de koningin erover is geraadpleegd, ter goedkeuring voorlegt aan de ministerraad. Het kan dan ook een stuk korter en bondiger. Het zou passen in een meer reflexieve benadering van Prinsjesdag die zich heel goed verdraagt met de oude vormen en met het karakter van onze constitutie.

Prof. dr. J.Th.J. van den Berg is emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis aan de Universiteit Leiden en hoogleraar parlementair stelsel aan de Universiteit Maastricht.