De geschiedenis neemt niemand iets uit handen

Edgar Hilsenrath: De thuiskomst van Jossel Wassermann. Geactualiseerde vertaling uit het Duits door Elly Schippers. Anthos, 272 blz., € 21,95

Na Nacht waren de verwachtingen natuurlijk te hoog gespannen. Dat boek, over gedeporteerde Joden die in een getto proberen te overleven en al snel hun moreel besef uitschakelen (Boeken 19.09.2008), verkocht elke lezer een dreun. De sardonische satire De nazi en de kapper, die evenals Nacht vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, was minder indrukwekkend. Maar het was wel duidelijk dat Edgar Hilsenrath, geboren te Leipzig in 1926 en overlever van een Joods getto in Oekraïne, een verbluffend oorspronkelijk auteur is. Nu is De thuiskomst van Jossel Wassermann opnieuw uitgebracht, een roman die in 1992 in Duitsland verscheen.

Jossel Wassermann is een rijke, kinderloze fabrikant, woonachtig in Zwitserland. Wanneer hij zijn einde nadert, ontbiedt hij een advocaat en een notaris om zijn testament op te maken en zorg te dragen voor het toekomstig vervoer van zijn stoffelijk overschot naar zijn geboortedorp Pohodna, dat in de Boekovina ligt, nabij het Oekraïense Tsjernivtsi. Het is 31 augustus 1939, Duitse troepen staan op het punt Polen binnen te trekken. Het is alsof Wassermann voorziet dat de komende oorlog het Joodse leven zoals hij dat kent zal uitwissen, en om de geschiedenis door te geven aan toekomstige generaties vertelt hij zijn levensverhaal aan de twee mannen bij zijn bed (en hun secretaresses), waarbij hij vooral uitweidt over zijn jeugd. Hij schetst het dagelijks leven van een joodse gemeenschap in de multiculturele samenhang van de Donaumonarchie, waar Joden zowel discriminatie als respect ontmoeten. Veel aandacht is er voor de 613 geboden die een Jood in acht moet nemen – ‘het zijn er te veel, maar dat geeft niets, God weet dat, je doet wat je kunt.’

Het literaire bezwaar is dat Wassermanns levensverhaal uit niet meer dan een verzameling losse anekdotes bestaat, waarin zeer veel personages worden opgevoerd zonder dat ze in psychologisch opzicht gestalte krijgen; dat geldt zelfs voor de hoofdpersoon. Wanneer de notaris opmerkt: ‘U denkt toch niet echt dat wij hier de hele dag blijven zitten om naar een verhaal te luisteren dat helemaal geen verhaal is’ – stemt de lezer daar van harte mee in. Ook jammer is dat Wassermanns humor zelden het niveau van onderbroekenlol overstijgt. En het weinige dat deze komiekeling te melden heeft, wordt tot overmaat van ramp voortdurend door zijn toehoorders herhaald, opdat we ons maar goed van het mondelinge karakter van de overdracht bewust zijn.

Wat dit krachteloze relaas eventueel urgentie zou kunnen verlenen, is de zwarte rand van de jodenvervolging. De thuiskomst van Jossel Wassermann is een raamvertelling, waarbij het kaderverhaal handelt over de joden van Pohodna die, drie jaar na Wassermanns overlijden, onwetend van het vermogen dat hun is nagelaten, door Duitse soldaten in een treinwagon worden gedreven.

Door dit verhaal, dat een kleine vijftig bladzijden telt, wordt de persoonlijke geschiedenis van Jossel Wassermann verbonden met de wereldgeschiedenis. Zou Hilsenrath gedacht hebben dat dit de zaak verandert? Dacht hij dat het historisch besef van de lezer diepgang zou verlenen aan de oppervlakkige anekdotiek; schreef hij het allemaal zo jolig op omdat hij meende dat het contrast met de tragiek van de geschiedenisfeiten des te schrijnender zou zijn? In dat geval zou het een ernstige misrekening zijn: een schrijver kan de ontroering van de lezer alleen op eigen kracht verwezenlijken, de geschiedenis neemt hem die taak niet uit handen.