De bounties zullen werelden verenigen

Colson Whitehead: Sag Harbor. Vertaald door Theo Scholten. Contact, 350 blz. € 19,95

Toen Colson Whitehead tien jaar geleden debuteerde met het eigenzinnige De intuïtionist was direct duidelijk dat hij de stem van een nieuwe generatie vertegenwoordigde. Waar de Afrikaans-Amerikaanse literatuur altijd sterk had geleund op thema’s als onderdrukking, slavernij, uitsluiting en vrijheidsstrijd, sprak hier iemand uit de groeiende zwarte middenklasse. In zijn futuristische debuutroman sneed Whitehead (1970) weliswaar het thema van de rassenrelaties aan, maar genuanceerder, minder verontwaardigd. Hij bestendigde die toon in John Henry Days (2001) en Apex is een pleister op de wonde (2006). Whitehead nam afstand van het idioom van de burgerrechtenstrijd, en deed een stap in richting van de postraciale taal van Barack Obama.

Whiteheads nieuwe roman Sag Harbor, kan worden opgevat als autobiografie. Een vorm met een lange traditie in Afrikaans-Amerikaanse literatuur, al resulteerde ze vaak in een encyclopedie van verschrikkingen. Zo niet bij Whitehead. We volgen zijn alter ego, de 15-jarige Benji, die midden jaren tachtig vrijwel zonder ouderlijk toezicht de zomer doorbrengt in een vakantiehuis in Sag Harbor, het ‘zwarte’ deel van de chique Hamptons van Long Island. Benji is een stuntelige, beugel dragende knul, met een voorliefde voor sciencefictionboekjes en getormenteerde witte muziek. ‘De zangers’, zo vertelt hij, ‘waren vage, androgyne schimmen die hun te zware kettingen met zich meesleepten over de vlakten van hun ellende, de akelige moerassen van hun ongenoegen, op zoek naar verlichting. Laat ik er geen doekjes om winden: ik hield van The Smiths.’

Leg dat maar eens uit aan jongens uit ‘the hood’! Benji is in zwarte ogen een ‘oreo’ – in onze nomenclatuur een ‘bounty’ –, maar voor hem is blanke invloed de normaalste zaak van de wereld. ‘Wat jullie een paradox noemen,’ zegt hij, ‘noem ik gewoon mezelf.’

Benji’s problemen zijn hoofdzakelijk universeel van aard. Hoe maakt hij zich vrij uit de twee-eenheid met broer Reggie? Wat gebeurt er wanneer de voorheen onzichtbare meisjes een rol gaan spelen? Hoe kom je binnen bij een concert waar je niet naar binnen mag? Hoe ga je om met kwajongensspelletjes die uit de hand lopen? Hoe functioneer je binnen de groep? De roman blinkt uit in detail, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor popcultuur, het voornaamste instrument voor zelfdefinitie. Aan alles voel je dat dit geleefde geschiedenis is. Het zand tussen de tenen, het ijs dat uit Vlaamse oubliehoorns over vingers druipt. Benji’s stem is een aanstekelijke: soms lyrisch, vaak vol zelfspot en met een scherp oog voor sociale dynamiek. Dat houdt je gaande, ook als het gebrek aan een voortstuwend plot zich wreekt en het kabbelen toeslaat. Al zal Whitehead zeggen dat het leven nu eenmaal zo is, zeker in die eindeloze zomers. In het achterhoofd spelen rassenverhouding niettemin nog steeds mee. Nooit en te nimmer, zo is de zwarte privéschooljeugd voorgehouden, mag er gestolen worden, want dat is ‘wat ze van ons verwachten.’ En, zoals Benji zegt: ‘Je ging bijvoorbeeld niet door Main Street lopen met een watermeloen onder je arm. Zelfs niet als je een goede reden had.’

Met Sag Harbour raakt Whitehead expliciet aan het ‘dubbele bewustzijn’ van zijn generatie. Wie zwart en succesvol is leeft in een nieuwe wereld, die is ingeklemd tussen de klassieke zwarte en witte gemeenschappen. De kritische blik van beide wordt gevoeld. Uiteindelijk zullen de ‘oreo’s’ de schakels vormen die de strijdige werelden samen zullen brengen, en die optimistische gedachte wordt onderstreept door het zwarte lijflied anno 1985. ‘We Shall Overcome’ heeft afgedaan en plaatsgemaakt voor ‘Ain’t No Stopping Us Now’. Weg met de verbeten strijdvaardigheid van de onderdrukte. Vanaf nu weerklinkt de zelfverzekerdheid van hen die zich ontworsteld hebben en op stoom beginnen te raken.