De beschermheilige van de zeezeilfanaten

De Ier Saint Brendan kerstende de Kelten maar werd legendarisch als de zeevaarder die al in de 6de eeuw Amerika ontdekte. Op zoek naar de inspiratiebron van tientallen gedichten en wonderverhalen, van het door Willem Wilmink vertaalde ‘Van Sente Brandane’ tot ‘Asterix en de grote oversteek’.

St. Brendan in de kunsten Veel schilderijen van Brandaan zijn er niet: naast twee glas-in-loodramen van Harry Clarke is er St Brendan (1908) van de symbolist Edward Reginald Frampton (foto Bridgeman/AlinariArch.) St. Brendan by Edward Reginald Frampton located in the Whitford & Hughes in London Frampton Edward Reginald 1908 Great Britain - London, Whitford & Hughes www.alinariarchives.it

Een zeemansgraf heeft hij niet gevonden. Dat mag een wonder heten, want hij bracht een groot deel van zijn leven op zee door en kreeg daar te maken met stormen, monsters en verraderlijke eilanden. Saint Brendan the Navigator, zoals hij door de Ieren wordt genoemd, ligt begraven in een van de vele kloosters die hij zelf heeft gesticht. Dat van Clonfert om precies te zijn, een plaatsje in het midden van Ierland, in een uithoek van County Galway. In de 6de eeuw na Christus was het niet meer dan een terp tussen de veenlanden die in de winter overstroomden. Tegenwoordig wordt Clonfert Cathedral – een grootse naam voor een klein kerkje – omgeven door landbouwgrond. Er gaat een kleine weg naartoe die je ook weer terugmoet, omdat hier geen brug over de rivier is. Dat is een van de redenen dat de meeste toeristen de laatste rustplaats van de grote ontdekkingsreiziger links laten liggen. Een andere is dat twintig kilometer verderop een veel spectaculairder oud-Iers kloostercomplex ligt: Clonmacnoise, met drie sterren in de groene Michelin een stijger met stip op de tipparade van de Unesco Werelderfgoedlijst.

Wat ook niet zal bijdragen aan de bezoekersaantallen: het graf van Brendan is nooit teruggevonden. De in 576 gestorven heilige werd volgens de oude kronieken in het klooster van Clonfert begraven, maar toen hier in de 12de eeuw de stenen kerk werd gebouwd, kregen zijn botten kennelijk geen praalgraf in de kathedraal. Wél werd hij afgebeeld in het schitterende romaanse portaal aan de westkant, onder de rechthoekige toren waar je de kerk ingaat. Ik zie een man in een monnikspij met een vriendelijk gezicht; op zijn hoofd een ronde pastoorshoed en in zijn linkerhand een bisschopsstaf; met zijn rechterhand maakt hij het vrede-zij-met-u-teken. Een man van de kerk, niet van de woelige baren. Het kost moeite om in hem de zeeman te zien die volgens het aan hem gewijde heiligenleven negen jaar de oceanen bevoer; de stoere abt die in een 10de-eeuwse prozatekst een pelgrimage naar de gelukzalige eilanden aan de andere kant van de Atlantische Oceaan maakt; de Ierse Odysseus wiens ongelooflijke avonturen schrijvers en dichters uit alle landen van Europa hebben geïnspireerd.

De versie die ik ken – van de middelbare school – is Van Sente Brandane, een Middelnederlands gedicht van meer dan tweeduizend regels dat in 1944 werd vertaald door Bertus Aafjes en vijftig jaar later door Willem Wilmink. De anonieme 12de-eeuwse auteur vertelt het verhaal van de Ierse heilige Brandaan die uit ongeloof een boek verbrandt waarin de wonderen van God beschreven staan, en die voor straf op een zeereis wordt gestuurd om die wonderen zelf te aanschouwen. Hij vaart langs een eiland dat een vis blijkt te zijn, een brandende berg, diverse paradijzen en een onderzeese wereld. Hij ontmoet een zeetrol en een sirene, Judas en een reeks vrome kluizenaars. Van Sente Brandane is een religieus reisverhaal zoals er in de late Middeleeuwen vele werden geschreven om de mens van Gods wonderen te doordringen. Een episch sprookje, maar het vindt zijn oorsprong in het zeemansleven van een historische figuur: de ondernemende abt die hier op een onbekende plaats onder de groene zoden van Clonfert ligt.

Op het verlaten kerkhof rondom het kerkje herinnert niets aan Saint Brendan. Ik ontdek tussen de graven zelfs geen enkele moderne Brendan, Brenda of Bran. En dat terwijl er wel een half dozijn mensen ligt dat is vernoemd naar Saint Patrick, Brendans belangrijkste voorganger onder de missionarissen die het christelijk geloof onder de heidense Kelten verbreidden. Binnenin de ‘kathedraal’ leeft The Navigator nog wel, althans zijn reputatie. In de 15de-eeuwse doorgang naar het koor zijn drie sculpturen te vinden die je met zijn avonturen in verband kunt brengen: een anker, een zeeslang en een sierlijke vrouw met vissestaart die glanst van de vele aanrakingen. Het zeemeerminnetje is het enige dat in de kathedraal tot vrolijkheid stemt. Het stinkt er naar duivenpoep en kattenpis en het robuuste houten plafond zit vol met schimmel. Als ik door het hek het terrein van de kathedraal verlaat, zie ik een bordje met de tekst ‘Elke vijfde zondag van de maand mis’. Op de plaats waar in de 16de eeuw nog drieduizend leerlingen naar de kloosterschool gingen, lijkt het geloof een kwijnend bestaan te leiden .

Maar schijn bedriegt, zo merk ik als ik in het bosje naast het kerkhof de bordjes ‘To St. Brendan’s Tree’ volg. Het paadje voert naar een oude kastanjeboom die eruit ziet alsof hij onder handen is genomen door wat H.J.A. Hofland een ‘vondstenaar’ noemt. De stam is tot een meter of twee beprikt en behangen met allerlei prullaria: briefjes, collegedassen, kettingen, voetbalsjaals, foto’s, medaillons, linten, muntjes, zelfs mobiele telefoons. Aan de wortels liggen de dingen die te zwaar zijn op op te hangen: teddyberen, plastic poppen, speelgoedauto’s. Het zijn moderne ex-voto’s, bewijzen van dank aan Saint Brendan, die kennelijk niet alleen de beschermheilige van schippers, zeilers en scuba divers is. Zijn kerk mag dan in verval zijn, zijn cultus bloeit.

Brénainn mac Hua Alta, zoals Brandaan bij zijn doop in 484 genoemd werd, was een volbloed-Ier; anders dan de Galliër Saint Patrick, die een generatie ouder was, werd hij geboren op het eiland, in buurt van de zuidwestelijke havenstad Tralee. Toch is hij ook een beetje een Nederlandse held. Niet alleen omdat onze beroemdste vuurtoren, de Brandaris op Terschelling, zijn naam draagt, maar vooral omdat het Middelnederlandse Van Sente Brandane een van de eerste poëtische bewerkingen van zijn reizen is. Het Latijnse gedicht uit de 10de eeuw dat eraan ten grondslag lag, De scheepsreis van de heilige abt Brendanus (Navigatio Sancti Brendani abbatis), was een combinatie van diverse elementen: heiligenlevens over Brendan, avonturen van Ierse zeelieden, sprookjes van het continent en verwijzingen naar de klassieken. Van zo’n pan-Europese tekst is het geen wonder dat er bijna honderd manuscripten in een dozijn talen zijn overgeleverd, met de Middelnederlandse versie als een juweel daartussen. Volgens Willem Wilmink, wiens 15 jaar oude vertaling deze week herdrukt werd, is De reis van Sint Brandaan even spannend als geestig en bovendien uniek in de karaktertekening van de hoofdpersoon: ‘geen min of meer abstracte bleekscheet, maar een man van vlees en bloed, die zich dikwijls kwaad maakt, ook op God, gauw tot tranen toe geroerd is en veel te vlug met zijn oordeel klaar staat.’

Waar Brendan precies geboren is, weet niemand. Net als in het geval van andere mythische figuren, zoals Homerus of Macbeth, zijn er verschillende locaties die elkaar de eer betwisten. De beste papieren heeft Fenit Island in de baai van Tralee, althans in de ogen van verstokte romantici: het eiland is te voet alleen bij eb vanaf Fenit Harbour bereikbaar. Als ik na een lange rit in het haventje aankom is het vanzelfsprekend vloed. In de dichtstbijzijnde pub informeer of het de moeite is om te wachten, of anders om een boot te huren. De uitbaatster is zo vriendelijk te verklappen dat er niets van Saint Brendan op het eiland rest; het middeleeuwse kasteel dat er ooit stond, mogelijk een opvolger van de versterkte nederzetting waar de edelmanszoon Brendan geboren werd, is al in de tijd van Elizabeth I met de grond gelijk gemaakt. Maar als ik in The Navigator geïnteresseerd ben: aan het eind van de pier van Fenit is een ‘theme park’ aan Brendan gewijd. En zondag over een week is de Brendan Way Pilgrimage: een wandeling van zes uur langs een aantal Brendan-locaties onder leiding van Father Billy O’Carroll, die de mis zal opdragen in Fenit Oratory.

Op de pelgrimage kan ik helaas niet wachten, maar ik loop meteen naar de pier; aan het eind ervan is een stenen heuvel met daarop een standbeeld waarvan ik begrijp dat het Saint Brendan voorstelt. Het themapark blijkt te bestaan uit een rolstoelvriendelijke hellingbaan langs replica’s van prehistorische Keltische vondsten, en uit een reeks informatieborden over Brendans leven in County Kerry en op de zeven zeeën. Trots wordt vermeld dat de geleerden de meeste wonderlijke plaatsen die worden beschreven in de Navigatio hebben geïdentificeerd. Het Eiland van de Schapen en het Paradijs van de Vogels, die vind je onder de Faeröer. De vuurbergen, dat moeten de vulkanen van IJsland zijn; het Land van de Kristallen Pilaren is Groenland. De zeemonsters horen bij de fauna van de Atlantische oceaan en de eindeloze mistbanken wijzen op de wateren bij Newfoundland. Conclusie: het kan niet anders of Brendan heeft stapje voor stapje Amerika ontdekt. Is het gek dat Columbus de Navigatio als een van zijn handboeken noemde?

Het bronzen beeld van Brendan, een jaar of tien oud, is lang niet zo kitscherig als je zou verwachten. De woest uitziende heilige heeft een boek in zijn rechterhand en wijst met zijn linker naar de einder – of is het richting zijn geboorteplaats Fenit Island? Hij staat met zijn voeten op een minischeepje, alsof hij de golven op een surfplank bedwingt. Wilde wolkenpartijen vliegen achter zijn hoofd langs. Aan de overkant van de Bay of Tralee zie ik de omtrekken van Mount Brandon, met 951 meter de hoogste berg van Dingle Peninsula. De berg is genoemd naar Brandaan. Terecht, want aan de westelijke voet van de berg ligt volgens de traditie de kreek vanwaaruit Brandaan zijn grote reis begon.

Brandon Creek is mijn volgende halteplaats, maar de route ernaartoe is zo mooi dat ik er pas tegen de avond arriveer. Tegen die tijd heb ik niet alleen Tralee Bay van de andere kant gezien, en de verblindende zandstranden van Brandon Bay, maar ook het bergachtige binnenland van Dingle Peninsula, waar ten tijde van het vroege christendom de zogeheten beehive huts en oratories gebouwd werden: halfronde bouwsels van kunstig gestapelde stenen waarin religieuze kluizenaars zich konden terugtrekken. Een ervan wordt aangekondigd als ‘de hut van St Brendan’, maar dat zal net zo’n toeristenval zijn als de cafés en winkels met streekproducten die zich naar de beschermheilige van Dingle vernoemd hebben.

Zelfs in de stromende regen, die een tandje bijzet als ik uit de auto stap, is Brandon Creek indrukwekkend. Ik kijk neer op een diepe inham waarin de zee, die tweehonderd meter verderop nog woest tekeer gaat, tot rust komt. De hoge rotsen zijn begroeid met struikgewas en wilde fuchsia, een roodbloeiende plant die bij Dingle hoort als fluitekruid bij het Hollands rivierengebied. Hier begon Brendan 1450 jaar geleden zijn tweede reis naar de Gelukzalige Eilanden, na een periode van veertig dagen vasten op Mount Brandon. De Navigatio meldt dat hij wegvoer in een klein houten schip dat was bespannen met ossehuiden die waren gelooid in eikenschors en besmeerd met wolvet. Waarschijnlijk nam hij niet meer dan zeventien broeders mee, en kwam hij pas na negen jaar terug in Ierland. Ik stel het me voor als een moeizame versie van de bootreis die Asterix en Obelix maken in De grote oversteek – eigenlijk ook een moderne Brandaanbewerking.

Het bord bij Brandon Creek besteedt net zoveel aandacht aan een andere zeereis die hier begon: die van de geograaf en ontdekkingsreiziger Tim Severin. Op 17 mei 1976 vertrok hij vanuit de kreek met vier metgezellen in een exacte kopie van een vroeg-middeleeuwse ‘curragh’, de boot die in de Navigatio beschreven wordt en die nog steeds door de Ierse vissers gebruikt wordt. Hij wilde bewijzen dat het mogelijk was om onder primitieve omstandigheden vanuit Ierland naar Amerika te varen – via de ‘stepping stone route’ die Brandaan ook zou hebben genomen. Na een jaar van ontberingen, adembenemend beschreven in de zeezeilklassieker The Brendan Voyage (1978), bereikte hij Newfoundland, nadat hij eerder de Hebriden, de Faeröer en IJsland had aangedaan.

De prestatie van Tim Severin dwingt niet alleen bewondering af, ze stemt ook nederig. Wie in de voetsporen van de historische Saint Brendan wil treden, moet eigenlijk de zee op, meemaken wat The Navigator heeft meegemaakt. Maar mijn zeilervaring beperkt zich tot blauwe maandagen op platbodems en zestienkwadraatjes – veel verder dan de monding van Brandon Creek zou ik niet komen. Er zit dus weinig anders op dan de Brendan Way over land te vervolgen; volgens de reisgids mag ik in ieder geval Ardfert Cathedral niet missen. Het is de plaats waar Saint Brendan een van zijn eerste kloosters stichtte, in het jaar 520. Ik moet er voor terug naar Tralee, en dan naar het noorden, goedbeschouwd niet zo ver van Fenit Harbour. De wegen zijn bochtig en smal en door hagen omzoomd; om de paar kilometer zie je de waarschuwing ‘Drive safely’. Dat Ieren daar iets anders onder verstaan dan Europeanen blijkt uit het verbodsbord eronder: 100 staat erop, met een streep erdoor.

De ruïnes van Ardfert (Keltisch voor ‘de hoogte van de begraafheuvels’) zijn inderdaad de omweg waard. Van de houten bouwwerken die Brendan er neerzette is natuurlijk niets meer over, maar wat er nog wel staat is imposant: een hoog, licht wijkend middenschip in romaanse stijl, met kantelen maar zonder dak; een sierlijke dwarsbeuk die eigenlijk meer lijkt op een aangebouwde schuur; twee kleine laatmiddeleeuwse kerkjes. Een gids leidt me rond over het complex van verweerde grijze steen en vertelt het bekende verhaal van brand, herbouw, plundering, herbouw, storm, herbouw, verval en restauratie. Echt interessant wordt het pas als ik haar vraag of er nog iets van Saint Brendan in Ardfert te vinden is. ,,Er stond ooit een altaar met een reliëf van Brendan en twee andere heiligen in de kathedraal,” zegt ze. ,,Op een kwade dag werd het weggehaald door een edelman die het voor zichzelf wilde hebben. De route voerde langs de bron waar Brendan gedoopt was, en precies daar weigerden de ossen die de kar trokken verder te lopen. De edelman zag af van zijn plan, en het altaar bleef bij Wethers’ Well staan.”

Tobar na Molt, zoals de bron in het Keltisch heet, is volgens de gids open voor publiek. Sterker: het is nog steeds een heilige plaats waar pelgrims naartoe gaan en missen worden opgedragen. Maar de Well is niet makkelijk te vinden. Ik heb de kleine weggetjes ten oosten van Ardfert al een paar keer heen en terug gereden als ik besluit om het erf van een boerderij op te lopen. Een man op een grasmaaier verbaast zich over het toeval: ,,Would you believe it? Ik heb dat stuk land twee jaar geleden gekocht. Mijn vrouw komt van de boerderij die er naast staat, en ik maaide er altijd het gras en knipte de hagen. Het was eigendom van een vrouw van 93, die er wel eens vanaf wilde. Zij heeft ook het informatiebordje laten maken dat aan de weg staat – ik ben niet zo goed in geschiedenis.”

De weg wordt feilloos uitgelegd. Na vijf minuten zie ik bij een ijzeren hek het bordje. ‘Tobar na Molt – Place of Brendan’s Baptism – 484 A.D’. Een keurig gemaaid graspad van ongeveer een halve kilometer voert door de weilanden naar een omhaagde heuvel. Een oase van rust waarin het oog onmiddellijk op de bron valt: een druppelvormige poel waarvan de oevers versterkt zijn met keurig op elkaar gestapelde stenen; aan één kant is een trapje gemaakt waarlangs je in het water kunt afdalen. Naast de bron staat een oud stenen huisje met een leien dak – de kleedkamer voor de mensen die hier gedoopt werden. Het dateert natuurlijk van lang na Brendan, maar dat geldt niet voor het altaar dat iets hoger op de heuvel staat: een sarcofaag van verweerde en met mos begroeide steen. In de voorkant zijn drie boogportaaltjes uitgehakt, met in elk een staande figuur van ongeveer een veertig centimeter. Hun hoofden zijn afgesleten tot een soort alien-gezichten, maar aan hun kleren kun je zien wie ze moeten voorstellen. Rechts een vrouw in een jurk van wie men aanneemt dat het de heilige Ita is die Brendan in de eerste jaren van zijn leven opvoedde. Links Saint Erc, die hem doopte en leerde lezen en schrijven. In het midden, met weinig reliëf doordat hij eeuwenlang door gelovigen is gestreeld, Brendan zelf.

Het Leven van Brendan vertelt dat bisschop Erc de dopeling aanvankelijk de naam Mobhí wilde geven. Maar nog voor hij het kindje kon onderdompelen daalde er een witte mist, broen finn, over de bron neer en besloot Erc de naam te vervangen door Broen-finn, het latere Brénainn. De moderne Ierlandreiziger kan zich bij zo’n plotselinge weersomslag wel iets voorstellen; in het halve uur dat ik bij de bron ben, wisselen donkere wolken en stekende zonnestralen elkaar af; daartussendoor valt een regenbui. Het verhoogt de magie van Tobar na Molt. Van alle plaatsen die aan Brendan herinneren, is dit degene die je het dichtst bij hem brengt. Want met alle stoere verhalen over zijn grote oversteek zou je licht vergeten dat hij in de eerste plaats een pionier van het christendom in Ierland was. Zijn reizen over de verlaten oceaan waren ontdekkingstochten, maar evengoed peregrinationes Deo, ‘omzwervingen voor God’ – Ierland heeft nu eenmaal geen woestijn waarin je je als kluizenaar kan terugtrekken.

‘Met eer begroef men zijn lichaam,’ staat er aan het eind van Van Sente Brandane. Waarna de dichter vertelt dat men na Brandaans dood een kerk met negen altaren in zijn naam bouwde, één voor elk jaar ‘dat hij voer in ballingschap, / waarin hem God gezonden had.’ Die kerk is niet te vinden, maar Saint Brendan heeft hem ook niet nodig. Zijn lichaam is spoorloos in Clonfert; zijn geest zweeft over het water van Wethers’ Well.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van ‘De reis van Sinte Brandaan’ (ed. Maartje Draak, vert. Bertus Aafjes, 1978), ‘The Voyage of St Brendan’ van WRJ Barron & Glyn S. Burgess (eds., 2005), ‘The Seafaring Saint’ van Clara Strijbosch (2000), Wikipedia en Tom van Melles ‘ Brandaan’ in ‘Van Abélard tot de Zwaanridder’ (SUN, 2008). Dit is (na Uilenspiegel, Leonidas, Golem, Macbeth en Don Juan) de zesde aflevering van een serie over literaire helden met historische wortels. Op 25 september Wilhelm Tell.