Concreet

Een van de kwesties waarin politici en opinievormers in de laatste dagen van dit voorseizoen zich hebben vastgebeten is de vraag of kunst tegenwoordig nog steeds geen of juist wel regeringszaak is. J.R. Thorbecke zei daar in 1862 over: „De regering is geen oordeelaar van wetenschap en kunst.” Daar hebben we ons in Nederland bijna anderhalve eeuw redelijk aan gehouden, met een onderbreking van vijf jaar bezetting en een paar incidenten. Zo heeft Karel Appel in 1949 op verzoek van de gemeente in de kantine van het Amsterdamse stadhuis een muurschildering, Vragende kinderen, gemaakt. In zijn persoonlijke stijl. Meteen bij de onthulling waren de ambtenaren verbijsterd. Ze konden geen hap meer door hun keel krijgen. Er werd een behangetje overheen geplakt. Dat was niet volgens de voorschriften van Thorbecke, maar bij mijn weten heeft toen niemand de grote liberaal aangeroepen. Het behang is er tien jaar later weer afgehaald.

In deze eeuw hebben we nog eens zo’n conflict gehad, in Rotterdam, over Kabouter Buttplug. Het is een beeld genaamd Santa Claus, van Paul McCarthy. Als naïeve toeschouwer zie je een kabouter die een buttplug vasthoudt, een dildo. Het publiek was eerst dusdanig geschokt dat burgemeester Opstelten besloot het beeld te verhuizen, naar de binnenplaats van het Museum Boijmans Van Beuningen. Dat was in 2005. Toen kreeg de kunstzin van de Rotterdammers toch weer de overhand en de kabouter werd vorig jaar overgeplaatst naar het Eendrachtsplein. Heeft Thorbecke tenslotte toch gewonnen?

Onder totalitaire regiems is alle kunst totale regeringszaak. Onder Hitler was het uitsluitend toegestaan gezonde Germanen in gezonde situaties af te beelden. In de Sovjet-Unie stonden de tractorchauffeurs en de soldaten van het Rode Leger in het hoogste aanzien. In het preutse Nederland van een halve eeuw geleden was het een waagstuk beelden van blote mensen in de openbare ruimte te zetten. Geen wonder dat in kringen van kunstenaars weleens een beroep op Thorbecke werd gedaan.

Maar nu? In Amsterdam heeft de wethouder van Cultuur, Carolien Gehrels, de strijd aangebonden. De kunst moet zich zinvol verhouden tot de stad en een bijdrage leveren aan het samenleven in Amsterdam, vindt ze. Frans Hoefnagel, oud-medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, is van mening dat er relatief veel geld gaat naar de voorzieningen waarvan vooral de kapitaalkrachtige elite profiteert. De gewone burger trekt aan het kortste eind en wil weten waarom dat zo is. Ja, kunst is alleen voor fijne luyden, zei Du Perron, maar die tijd ligt definitief achter ons. De allochtonen en wat ooit de ‘eenvoudige burgerij’ werd genoemd, willen ook hun aandeel in het kunstgenot dat beschikbaar is dankzij de subsidiepot.

Ik heb het gevoel dat de discussie hier vastloopt. Willen de anti-thorbeckianen door zorgvuldig geplande subsidies de kunst in Amsterdam sturen? Dan zullen ze ook partij moeten kiezen, bijvoorbeeld geld beschikbaar moeten stellen voor een Turks integrationistisch straattheater; een drama waarin een pedofiel gekielhaald dreigt te worden; een toneelstuk waarin een romance tussen een orthodox christelijk meisje en een moslim op een rijke kinderzegen uitdraait. Ik noem maar een paar voorbeelden. Komt het erop neer dat de anti-thorbeckianen pleiten voor een nieuw soort engagement? Dan horen er voorbeelden bij. Anders draait de discussie weer uit op niets.