Burgemeestersmacht

Burgemeesters mogen, als het aan minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) ligt, niet langer dan achttien jaar in dezelfde gemeente hun ambt uitoefenen. Dat wil ze wettelijk vastleggen. In zijn algemeenheid is er veel voor te zeggen dat machtsuitoefening aan termijnen wordt gebonden. En dat geldt zeker voor benoemde functionarissen. De vraag die zich dan wel opdringt, is waarom een premier, ministers, gedeputeerden, wethouders, commissarissen van de koningin, in theorie wel tot aan hun dood op dezelfde post kunnen blijven.

In een brief aan de Tweede Kamer voert de minister nauwelijks plausibele argumenten aan voor de drie termijnen waartoe ze het ambt in één gemeente wil beperken. Ter Horst wil voorkomen dat er door een langdurige aanstelling „te weinig uitdaging is in de samenwerking tussen de gemeenteraad en de burgemeester”. Ze denkt dat een wisseling kan zorgen „voor nieuwe bestuurlijke dynamiek”. Het is het lege jargon waarmee organisatieadviseurs komen aanzetten als ze indruk willen maken – soms niet eens tevergeefs.

De herbenoeming van burgemeesters is elke zes jaar aan de orde en is geen automatisme meer sinds gemeenteraden daar serieus werk van maken. De vraag is dus waarom een gemeenteraad na drie termijnen niet meer zou kunnen beoordelen of een burgemeester nog de juiste man of vrouw op de juiste plaats is.

Ter Horst maakt zo de termijn belangrijker dan de kwaliteit van de functionaris. Het past in een patroon dat is ontstaan nadat voorstellen voor de gekozen burgemeester zijn gesneuveld en referenda onder de lokale bevolking begraven. Ter Horst heeft zich ontpopt tot een uitgesproken voorstander van de benoemde burgemeester.

‘Den Haag’, en dus niet de gemeenteraad, heeft de burgemeesters de laatste jaren met steeds meer macht bekleed op het gebied van openbare orde en veiligheid. Staatssecretaris Bijleveld (Binnenlandse Zaken, CDA) bereidt bovendien een voorstel voor om burgemeesters meer greep te geven op de inhoud van het collegeprogramma van de lokale coalitiepartners, dat na de verkiezingen wordt geschreven.

‘Den Haag’ wil nu ook zijn greep verstevigen op het proces van (her)benoemingen. In haar voorstellen gaat het Ter Horst niet alleen om die achttien jaar. Ook wil ze bij herbenoemingen de invloed van de commissaris van de koningin versterken, ook al een benoemde bestuurder die feitelijk als vooruitgeschoven post van Binnenlandse Zaken fungeert. Op zijn advies kan de minister afwijken van de aanbeveling van de gemeenteraad. Bij benoemingen is de invloed van deze ministeriële adviseur al groot. De raad stelt weliswaar de voordracht op, maar daaraan is een procedure voorafgegaan waarin de commissaris de kandidaten heeft geselecteerd.

Het kabinet heeft aangekondigd krachtig te streven naar decentralisatie van taken en bevoegdheden naar de gemeenten. Het is jammer dat dit niet gepaard gaat met versterking van de lokale democratie, maar juist met het tegendeel.