Als het zo moet, dan ben ik tegende kenniseconomie

Dit kabinet heeft het niet zo op de humaniora, want die leveren geen nieuwe producten en diensten op.

Maar de studie ervan maakt ons wél menselijker.

Volgens de onderwijsfilosofie van het huidige kabinet moeten onderzoek en onderwijs vooral bijdragen aan de kenniseconomie. Nederland moet zijn concurrentiepositie verbeteren. En daar hebben we innovatief onderzoek voor nodig.

De kenniseconomie, het is een idee waar je bijna niet tegen kunt zijn. Wie wil niet dat Nederland voorop loopt bij nieuwe technologische ontwikkelingen? Toch zou het rampzalig zijn als de overheid erin zou slagen haar onderwijsfilosofie te realiseren. Er is namelijk een wetenschapsgebied dat buiten het plaatje van de kenniseconomie valt: de humaniora. Vakken als filosofie, geschiedenis en klassieke talen lijken niet nuttig, want ze leveren geen nieuwe processen, producten en diensten op. Volgens de heersende opvattingen bieden ze, anders dan de natuurwetenschappen, überhaupt geen ware kennis over mens en wereld. Ze concurreren niet om onze aandacht met de studie van geneeskunde of economie, maar met cruisereizen, golf en cursussen yoga.

„Pompeuze onzin”, was de reactie van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) op een pleidooi van twee internationale wetenschappers voor de versterking van de humaniora, tijdens de Nexus-conferentie van 2007.

Waarom zijn de humaniora wél een essentieel onderdeel van de wetenschap? Allereerst houden de natuur- en sociale wetenschappen zich bezig met descriptieve vragen (zoals: wat is leven?), maar niet met normatieve vragen (zoals: wat is een goed leven?). Met de natuur- en sociale wetenschappen kunnen dankzij empirisch onderzoek de verbanden tussen feiten nauwkeurig worden bepaald. Maar empirisch onderzoek kan ons niet vertellen hoe ons leven eruit zou moeten zien. De geneeskunde leert hoe het menselijke leven gered kan worden, maar niet waarom het überhaupt gered zou moeten worden. Laat staan dat ze iets kan zeggen over de vraag wat een patiënt na zijn behandeling met zijn leven moet doen.

Wat is een goed leven? Wat is schoonheid? Hoe zou de staat het beste ingericht moeten worden? Waaruit bestaat geluk? Deze vragen worden wel gesteld in de filosofie, theologie en literatuur. Uitspraken daarover kunnen niet volledig getoetst worden en worden daarom afgedaan als ‘metaphysical poetry’. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet goed onderbouwd kunnen worden. Juist omdat cultuur en moraal niet empirisch te onderzoeken zijn, moeten we op zoek naar andere manieren om er zinnige uitspraken over te doen.

Een goed beginpunt daarvoor is de studie van ‘het beste dat er in de wereld gedacht en gezegd’ is, zoals de negentiende-eeuwse Engelse dichter en criticus Matthew Arnold voor ogen had. (Cultuur)relativisten zullen de zin daarvan meteen ontkennen. ‘Het beste’ is immers voor iedereen iets anders. Maar hoe weten zij eigenlijk zo zeker dat er geen waarheid bestaat? Het is goed mogelijk dat er wel waarheid is, maar dat ze niet empirisch gevonden kan worden.

Ten tweede bieden de humaniora, met name de filosofie, theologie en geschiedenis, een fundering voor onze diepste morele en constitutionele overtuigingen. Begrippen als ‘tolerantie’, ‘democratie’, ‘vrijheid van meningsuiting’, en ‘mensenrechten’ spelen een centrale rol in ons politieke discours. De natuurwetenschappen kunnen ons niet uitleggen waarom deze dingen waardevol zijn.

Als deze waarden geen historische en filosofische verankering hebben is de samenleving minder weerbaar tegen aanvallen daarop. Want wat vandaag ‘nou gewoon’ is, kan morgen ‘boeiuh’ zijn. Dat geldt te meer voor het idee ‘Europa’. Economische en geopolitieke argumenten zijn niet genoeg om mensen van het belang van Europese samenwerking te overtuigen. Als mensen geen affiniteit hebben met de klassieke, joods-christelijke en verlichte bronnen van de Europese cultuur, is het niet vreemd dat ze niet warmlopen voor Europa. Versteviging van het onderwijs in vreemde talen, geschiedenis en literatuur zou een goed begin zijn om dat te veranderen.

De hoofdreden voor de versterking van de humaniora ligt besloten in de naam zelf: de studie ervan maakt ons menselijker. In de woorden van de Franse filosoof Rémi Brague zijn wij ‘barbaren die noordelijke kusten bewonen’. Met veel moeite kunnen we ons beschaven door een moreel en esthetisch oordeelsvermogen te ontwikkelen. De natuurwetenschappen besteden daar geen aandacht aan. Zonder de studie van de klassieken en andere bronnen van normatieve kennis worden we, zoals Erasmus waarschuwt in Antibarbari, ‘meer beest dan mens’.

Niet elke tandarts hoeft Pindaros te kunnen citeren. Maar een bekwaam techneut is nog geen goed mens, die rekening houdt met de morele en esthetische consequenties van technologie. Een onderwijssysteem dat gebaseerd is op een materialistisch wereldbeeld en een ongeïnformeerd cultuurrelativisme uitdraagt leidt misschien tot materiële welvaart, maar ook tot geestelijke armoede. Het is tijd voor een kleine renaissance.

Bart Fleuren studeert filosofie en rechten in Leiden.