Toeval in mega- en microgedaante

Het is de moderne mens eigen om niets aan het toeval te willen overlaten, alles te willen regelen, voor alles een verklaring te zoeken. Ook in de historische wetenschap wordt, zo is mijn indruk, weinig ruimte gelaten aan het toeval. Ik ken althans alleen het pleidooi van de historicus J.C. Boogman (1917-2001), die meer aandacht vroeg voor de possibilistische en accidentele factoren in de geschiedenis.

Wie had in 1963 rekening gehouden met de moord op president Kennedy door een eenling? En toch heeft die waarschijnlijk de geschiedenis veranderd. Dat Duitsland, na de verloren Eerste Wereldoorlog, een torenhoge inflatie en depressie met miljoenen werklozen, hunkerde naar een sterke man, is verklaarbaar. Maar dat het juist een man moest zijn die tegelijkertijd uit was op vernietiging van de Joden, was niet per se noodzakelijk.

Ook dat heeft de koers van de geschiedenis veranderd. Zonder Hitlers annihilistische soort van antisemitisme zouden de Joden in Duitsland zijn gebleven en, zoals in de Eerste Wereldoorlog, ten dienste van het regime hebben gestaan. Het merendeel hunner was immers nationaal gezind. Nu stond hun intellect, voor zover het geëmigreerd was, ten dienste van de geallieerde zaak. Misschien was hun aandeel daarin zelfs wel beslissend.

Een voorbeeld uit de recente Nederlandse geschiedenis: die is niet denkbaar zonder Drees, die van 1948 tot 1958 minister-president was. Hij was de onbetwiste leider van de PvdA, maar week af van de consensus in zijn partij (en trouwens van die in vrijwel geheel politiek Nederland) wat Europa betreft. Ook wat de militaire acties in Indonesië aangaat, kon hij niet rekenen op onverdeelde steun in zijn partij met haar anti-militaristische en anti-kolonialistische verleden. Zou de geschiedenis anders zijn verlopen als een andere PvdA’er aan het roer had gestaan? Zou er bijvoorbeeld, in 1948, geen politiële actie zijn geweest?

„Niet elke epoque vindt haar groot man en niet elke grote bekwaamheid vindt haar tijdperk. Het kan heel goed zijn dat er nu grote mannen leven, groot voor dingen die er niet zijn”, schreef de Bazelse historicus Jacob Burckhardt (1818-1897). Het hangt grotendeels van het toeval af. Niet alles is naturnotwendig en, achteraf, verklaarbaar.

Slechts voor hen die geloven in een hogere macht die alles beschikt en bestiert, bestaat het toeval niet. Het is God, zonder wiens wil, die ondoorgrondelijk is, geen musje van het dak valt, zoals in de Bijbel staat. En voor de anderen geldt wat de scepticus Anatole France een personage in zijn Le Jardin d’Epicure laat zeggen: „In het leven moet men iets aan het toeval overlaten. Het is, per slot van rekening, God.”

Wat is de aanleiding tot deze ijdele beschouwingen (want ieder stukje moet een, liefst actuele, aanleiding hebben)? Zij is vergeleken met voorgaande voorbeelden, een microgebeurtenis. Een kleindochter studeert sociale geografie. Zij gaf mij, na een geslaagd tentamen, een boek te lezen dat zij zelf, blijkens de vele onderstrepingen en aantekeningen in de marge, grondig had bestudeerd: Het geografische huis: de opbouw van een wetenschap van B. de Pater en H. van der Wusten.

Plichtsgetrouw, maar met stijgende belangstelling heb ik het gelezen, tot de laatste hoofdstukken, die mij te moeilijk waren. In het begin wordt aandacht geschonken aan Friedrich Ratzel (1844-1904), van wie ik nog nooit had gehoord, maar die als vader van de zogeheten antropogeografie grote invloed blijkt te hebben gehad (ook buiten Duitsland, bijvoorbeeld in Amerika).

Die man heeft ook zijn memoires achtergelaten, onder de romantische titel Glücksinsel und Träume. Aangezien ik nogal verzot ben op memoires, die een indruk geven hoe de mensen zelf in hun tijd leefden en dachten, heb ik dit boek van de bibliotheek gehaald. Het is in gotisch schrift geschreven, dat ik weliswaar nog op school geleerd heb, maar dat niettemin het lezen niet gemakkelijk maakt.

Terwijl ik er doorheen bladerde, viel mijn oog op deze passage: „Ein geistvoller Niederländer, Spross einer Künstlerfamilie, sagte mir: Nous sommes une race efféminée.” Was het toeval dat ik op die passage stuitte of was het doordat het Franse citaat in Latijnse letters was gezet en er daardoor uitsprong? Of was het het woord Niederländer waarop mijn oog voorgeprogrammeerd was?

Het is niet mijn bedoeling over de zin (of onzin) van wat die spirituele Nederlander zei te gaan peinzen en evenmin over het merkwaardige feit dat toen blijkbaar (sommige) Nederlanders en Duitsers met elkaar in het Frans communiceerden. Nee, ik haal dit aan omdat mij de avond van de dag waarop ik dit gelezen had, iets overkwam wat ik slechts aan het toeval kan toeschrijven.

Ik lees die avond in de krant een artikel van Moritz Bilagher over de overlast van Marokkaans-Nederlandse jongens, en mijn oog valt op deze passage: „Zoals de interculturele expert Geert Hofstede eens heeft gezegd, is de Nederlandse cultuur ‘extreem feminiem’ en, anders dan in Engeland, past het niet in onze cultuur een strijd te durven aangaan – en die te willen winnen.” (Wie denkt niet aan Den Uyl, die in 1977 de bevrijding van door Molukkers gegijzelde treinreizigers, van wie ze er één al hadden doodgeschoten, een ‘nederlaag’ noemde, omdat er doden bij gevallen waren?)

Maar ook hier wil ik niet verder ingaan op de inhoud van die uitspraak, maar slechts het toeval signaleren dat ik op één dag twee uitspraken over de feminisering van onze cultuur tegenkwam – uitspraken waartussen een tijdsverschil van meer dan een eeuw ligt. Of was het geen toeval, maar was mijn geest onbewust geconditioneerd door die andere uitspraak, die ik eerder die dag had gelezen? „Ook het toevalligste is slechts een langs meer afgelegen weg tot ons gekomen noodwendigheid”, zegt Schopenhauer.

Intussen heeft mijn kleindochter mij een ander doorgeploegd studieboek te lezen gegeven: Europa: ruimtelijke samenhang en verscheidenheid in de Europese Unie van B. de Pater, T. Béneker en W. Buunk. Misschien zit daar ook een stukkie voor mij in.

U kunt de auteur mailen via dezerdagen@nrc.nl. of reageren op nrc.nl/heldring