Pet af (en weer op)

Waar ik nou nooit eens wat over hoor of lees (ideale beginzin voor de columnist, maar hij moet hem wel waarmaken) is de ondergang van de pet. Ja, de pet. U weet wel, dat hoofddeksel, ook wel cap genaamd, dat het afgelopen decennium vooral ’s zomers in overstelpende mate onze hoofden (ont)sierde.

Je had ze aanvankelijk in alle soorten en maten, maar de honkbalpet met zijn lange, brede klep begon steeds meer te domineren. Je telde als dagjesmens, toerist, wandelaar of fietser niet meer erg mee, als je je niet vertoonde in een korte broek boven je knobbelige knieën, een T-shirt met de opdruk van een Texaanse universiteit en zo’n diep over je ogen gezakte pet. Ik heb het nu vooral over de mannen, want de pet gaf ze iets onverschrokkens, maar ik zag er ook relatief veel vrouwen mee lopen. Niet de mijne overigens – dát moet haar nagegeven worden – die liever aan een zonnesteek overleed.

Zelf heb ik me ook lange tijd afwijzend tegenover de pet opgesteld, totdat mijn hoofdhuid korzelig liet merken dat je een zonovergoten schedel onder dunnend haar kunt vergelijken met een woning zonder zonnewering in augustus. Hij had gelijk, ik kocht een pet en we leven sindsdien weer gelukkig samen. Ik zou een pet nu niet meer graag missen in helle zonneschijn.

Hoe het kwam weet ik niet meer, maar deze zomer viel me opeens op dat je nog maar weinig petdragers zag. Ik liep over Strøget, een vier kilometer lange, drukke winkelstraat in Kopenhagen, en telde amper vijf petten. Was dit een typisch Deens verschijnsel of hadden we hier met een belangrijke interculturele ontwikkeling te maken?

Terug in Nederland bleef ik erop letten – en tellen. Ook hier dezelfde trend. Je ziet nog wel petten, maar weinig en dan vooral op oudere mannen die het zonlicht schuwen. Ik liep door het bloedhete Westerpark in Amsterdam waar enkele duizenden mensen zonnebaadden: vier petten. Een groepje van vijf buitenlandse toeristen passeerde me fietsend, één van hen, verreweg de oudste, droeg een pet.

Ik liep er die dag ontzield bij (onthoofd, had ik bijna geschreven) omdat ik mijn pet een dag eerder ergens had laten liggen. Er moest dringend een nieuwe pet komen, wilde ik deze lange zomer overleven. De volgende dag toog ik naar de Nieuwendijk, vroeger een paradijs voor de petdrager. De eerste winkel verkocht alleen petten met lelijke opdrukken waarin Amsterdam al te uitbundig geprezen werd. „Ik verkoop nog alleen aan toeristen”, zei de verkoper gemelijk. Hij verwees me naar de grootste pettenwinkel van de straat.

Daar bekeek de verkoper me als een klant die in een dierenwinkel naar een al eeuwen uitgestorven diersoort vraagt. „Blanco petten?” vroeg hij „Ik heb er nog één. Ik verkoop bijna geen petten meer. Het loopt al sinds een jaar of vier terug.”

Hij wees op een mistroostig rekje met weerzinwekkend bonte en tekstrijke petten. Ik viste die ene bescheiden pet eruit en paste hem. Hij was iets te warm. Mijn volmaakte pet is van katoen en zonder enige versterking in de stof. Hij moet als een zakdoek over je schedel passen. Dat deed deze niet helemaal, maar om de soort te redden kocht ik hem toch.

Ik blijf ’m dragen tot in het crematorium waar hij me tegen de hitte zal beschermen tot ook hij niet meer kan.