In de traditie van het Scandinavische thrillerwezen

Deze zomer zag ik aan een Frans meertje een vrouw in de Da Vinci Code lezen. Zij had kennelijk niet gehoord dat je deze zomervakantie in de Millennium Trilogie van Stieg Larsson moest lezen.

De andere vakantiegangers hadden dat wel vernomen, en lagen netjes met hun Stieg Larsson-thrillers in de zon.

Mijn vriend had deel één bij zich, Mannen die vrouwen haten, en begon daar aan het eind van de vakantie aan. In de traditie van het Scandinavische thrillerwezen telt Mannen die vrouwen haten ongeveer zesduizend bladzijden.

Daarom was mijn vriend de afgelopen paar weken, terwijl het werkend bestaan alweer was begonnen, in zijn vrije uren onaanspreekbaar. Hij zat in Mannen die vrouwen haten. Ik kon daar wel zeurderig en afgewezen over doen, maar ik herinnerde me de tijd dat ik zelf opgeslokt was door de boeken van Henning Mankell, een andere grootheid van de Scandi-thriller.

Die boeken hebben me van het thrillerlezen afgeholpen, want het gaat altijd hetzelfde. Je begint weifelend aan zo’n boek – het zijn toch zesduizend bladzijden, dus je moet er een groot deel van je volwassen leven aan besteden – maar dan leer je de hoofdpersoon kennen, een innemende Zweedse knorrepot van een politieinspecteur, en dan komt de moord (iets met tieners die in de bloei van hun leven worden omgebracht in een park), en ga je alsmaar fanatieker doorlezen, en dan, vele potten koffie op het Malmöse politiebureau later, en een onbegrijpelijke ruzie om een ‘dossier’, en nog een halfbakken romance, komt de politieinspecteur erachter wie de moordenaar is, wat maar goed ook is, want daarom heb je die zesduizend bladzijden gelezen. Maar dat is dus altijd een anticlimax.

Want de moordenaar is altijd een krankzinnige idioot die in zijn jeugd is misbruikt, en nu alleen woont (of bij zijn moeder) in een steriel, opgeruimd huisje, waar bijna geen aanwijzingen voor zijn moordenaarschap gevonden kunnen worden, maar waar dan toch ineens een geheime, geluiddichte kamer is waar hij zijn gruwelijke plannen heeft voorbereid.

En om kennis te maken met deze ongezellige figuur heb je een immens boek met lelijk omslag doorgeploegd, dat je nooit zult herlezen omdat je nu weet wie de dader is. Het enige waar het verhaal om draait.

„Wat een suf boek”, zei mijn vriend gisteren dan ook toen hij zijn pil eindelijk dichtklapte.

„Ik wist het”, kon ik niet laten om te zeggen.

Aaf Brandt Corstius