Hopeloze positie Griekse regering na brand

Na de bosbranden van 2007 won de conservatief Kostas Karamanlís toch nog de verkiezingen, maar na nieuwe branden wankelt zijn nipte meerderheid.

De conservatieve Griekse regering van Kostas Karamanlís, die sinds 2004 aan de macht is, is in een bijna hopeloze positie gekomen na de bosbranden van afgelopen weekeinde. De helft van de provincie Attika waarin Athene ligt, is in de as gelegd. Het verlies van twee miljoen bomen zal volgens experts leiden tot overstromingen en temperatuursstijging. Vrijwel algemeen wordt geklaagd dat de regering niets heeft geleerd van de noodlottige bosbranden van precies twee jaar geleden op de Peloponnesos. De nieuwe brand werd in de eerste fase ook zwaar onderschat.

Sinds 2007 is er nauwelijks iets gedaan aan preventie: brandgangen, aanvulling van personeel (een tekort van 3.200 brandweerlieden), opleiding en technische uitrusting. Brandweerlieden moeten overal de weg vragen omdat ze geen kaarten hebben. Alleen dat er deze keer geen doden vielen – tegen ruim 70 in 2007 – wordt van regeringszijde als „succes” bestempeld.

Premier Karamanlís stond met zijn flinterdunne meerderheid van 151 op de 300 al zwak. Twee jaar geleden al leek hij onder de bosbranden te bezwijken en zijn wonderlijke verklaring dat het allemaal terugging op een vijandig plan maakte het er voor hem niet beter op. Hij heeft toen voor september verkiezingen uitgeschreven die hij toch op het nippertje won. Dat was mede te danken aan de snelle, niet-bureaucratische betaling van schadevergoedingen. In de peilingen werd hij toen nog gezien als „meest geschikte premier”, met grote voorsprong op Jorgos Papandréou, leider van de socialistische PASOK. Bij de laatste peilingen voor de nieuwe brand gingen Karamanlís en Papandréou gelijk op, terwijl de PASOK de regeringspartij Nieuwe Democratie (ND) met vijf procentpunten voorbij is gestreefd.

Met angst en beven ziet de regering nu de volgende peilingen tegemoet. Er waren speculaties dat Karamanlís net als twee jaar geleden vervroegde verkiezingen zou uitschrijven in het najaar, maar na deze catastrofe wordt de kans op zo’n politieke zelfmoord juist kleiner. Eerder zal hij proberen de winter te overleven en nog een begroting op te stellen die de onheilspellende tekorten het hoofd moet bieden. Intussen wordt het gevaar van dissidentie – een of meerderen van de 151 – wel groter.

De regering zal in ieder geval worden gewijzigd. Minister van Binnenlandse Zaken Prokópis Pavlópoulos die al sinds 2007 een mikpunt is zal het veld moeten ruimen. Ook zal er eindelijk een aparte portefeuille voor Milieu komen. Weinig toekomst lijkt er meer te zijn voor regeringswoordvoerder Vangélis Andónaros die met zijn opmerking dat dennebomen zich moeilijk voor brandbestrijding lenen voor onmetelijke hilariteit heeft gezorgd. „Hij geeft de bomen de schuld.” Het aantal van 150 geheel verwoeste woningen noemde hij gering, en PASOK vertoonde met haar oppositie een „populisme in haar DNA”.

Intussen blijft het de vraag of oppositieleider Papandréou bij verkiezingen de absolute meerderheid haalt. Hier en daar kan men de verzuchting horen of het, tegen de achtergrond van de economische situatie en de verwoesting van het land niet tijd wordt voor een „nationale regering”, een samengaan van ND, PASOK en eventueel de ecologisten.