De Tobin-tax

Hef een kleine belasting op beurstransacties om daarmee hulp aan de derde wereld te financieren. Deze Tobin-tax, genoemd naar de geestelijk vader, de Amerikaanse econoom James Tobin, was lange tijd het domein van links, en werd in de financiële sector nauwelijks serieus genomen. Dat uitgerekend de invloedrijke voorzitter van de Britse toezichthouder op de financiële sector, FSA, deze belasting nu uit de kast haalt, is dan ook opmerkelijk.

FSA-voorzitter Adair Turner vindt dat de discussie over te hoge salarissen en bonussen in de financiële sector voorbijgaat aan de werkelijke oorzaken van de excessen, die mede hebben geleid tot de kredietcrisis. Volgens hem is het beter om de winstgevendheid van financiële instellingen te matigen, en daarmee het fundament voor de hoge beloningen te ondergraven. Dat kan door de kapitaalseisen te verhogen, waardoor het rendement op het eigen vermogen lager wordt. Als dat niet helpt, dan is volgens hem een belasting op transacties niet ondenkbaar.

In wezen lijkt de Tobin-tax op het idee om e-mail voortaan met een miniem bedrag te belasten. In beide gevallen wordt voorkomen dat het doen van excessieve aantallen handelingen, of dat nu beurstransacties zijn of het zenden van spam, rendabel blijft. Maar een Tobin-tax kan wel ten koste gaan van de liquiditeit op de financiële markten, waar juist grote handelsvolumes het makkelijker maken om te aan- en verkopen zonder dat de transactie zelf de prijs te veel beïnvloedt.

Voorstanders van de Tobin-tax moeten niet te vroeg juichen. De financiële lobby is, nu de kredietcrisis wegebt, in volle gang om de zaken zo veel mogelijk bij het oude te houden. Radicale maatregelen hebben minder kans van slagen naarmate de sector meer tijd en kans krijgt zich te herstellen.

Een Tobin-belasting werkt bovendien alleen als hij wereldwijd wordt ingevoerd, tenzij landen die de heffing doorvoeren bereid zijn te aanvaarden dat hun financiële sector minder rendabel wordt en instellingen naar elders verhuizen. Dat Frankrijk er van oudsher voorstander van is, komt mogelijk doordat Parijs er heimelijk van uitgaat dat de Tobin-tax er toch nooit zal komen. Dat, in lijn met Tobins gedachte, de opbrengst van de belasting vervolgens moet worden gebruikt om ontwikkelingshulp mee te financieren, staat al helemaal te bezien.

Toch werpen Turners uitlatingen een nieuw licht op de discussie. Hij stelt de vraag in hoeverre het in het Britse belang is om er een overmatig grote financiële sector op na te houden. Het streven naar een eigen ‘financieel centrum’ is voor veel landen een doel waar in het verleden veel geld en moeite in is gestoken. In de discussie over maatregelen om een herhaling van de crisis te voorkomen, waaronder de perverse prikkels van bonussen, speelt de angst voor het verlies van aanzien en concurrentiekracht een grote rol.

Dat uitgerekend de toezichthouder van de City, ’s werelds grootste financiële centrum, dit tegenargument ondergraaft, is alleen al winst.