Vechten met mede-Indo's

Eind jaren veertig was vechten op straat in Den Haag heel gewoon. Toen twee buurfamilies – het soort Hollanders waar we op neerkeken: een bontwerker en een betonvlechter – ruzie kregen, stonden ze tierend en met boksbeugels en ijzeren pijpen zwaaiend tegenover elkaar. Buurtbewoners op gepaste afstand eromheen. De politie kwam terwijl de fase van het schelden en uitdagen nog aan de gang was en suste de ruzie.

Mijn moeder had geen moeite met vechten. Toen ik eens in Nieuw-Guinea huilend de veranda van het hotel kwam op rennen om te zeggen dat ik was geslagen door vriendjes, gaf ze me een stok met de woorden: „Niet terugkomen voordat zij ook huilen.” Althans, dat is een van de standaardverhalen die ze nog steeds met plezier kan opdissen. Maar politie aan de deur, dat was onacceptabel gezichtsverlies.

In de straat naast ons woonden twee Indische jongens. De een ongeveer zo oud als ik, de ander zeker drie jaar ouder. Zo klein als zij waren, zo berucht waren ze. Als er wat was – raam ingegooid, vechtpartij – dan kwamen hun namen ter sprake. Hun vader was er nooit, hij was beroepssoldaat. Mijn vader was er ook nooit. Hij was bosarchitect op Nieuw-Guinea. Ik voelde vaag een band met de twee jongens.

Op een dag vroeg de jongste of ik mee wilde lopen. Tussen hun en mijn straat lag een muloschool. We liepen naar het verlaten binnenterrein. Daar zat zijn oudere broertje op een stoeptrap. Het jongste Indo-broertje stelde zich springerig en nerveus lachend voor me op. De oudere keek me lang aan en zei toen: „Je moeder is een hoer.” Een verschrikkelijk moment dat uren leek te duren, volgde. Ik had nog nooit van het woord ‘hoer’ gehoord. Om tijd te winnen en niet al te dom over te komen, zei ik: „Ja..?” in de verwachting dat vanzelf uit zijn woorden duidelijk zou worden wat hij bedoelde. Dat gebeurde niet. Korzelig gebaarde hij dat ik weer kon gaan. Jaren later vertelde een totok (volbloed Hollander) hoe hij in Indië had moeten vechten voordat hij was geaccepteerd door zijn Indo-vriendjes. „Nadat ‘Je moeder is een hoer’ had geklonken, was het alles of niets. Vonden ze dat je goed had gevochten, dan was het vrienden voor het leven.”

Met mijn woordgebruik had mijn moeder meer moeite. Gevraagd of ze was wat de buurjongen had gezegd, ontkende ze. Van wie ik dat woord gehoord had. „Dat zijn echte deugnieten”, zei ze. „Blijf maar uit hun buurt.” Dat ging vanzelf, ik bestond niet meer voor ze.