Oprechte muziek gaat boven vernieuwing

Pianist en componist Bob Heppener was wars van trends en stromingen in de muziek. Vooral zijn vocale werken kregen waardering.

De pianist en componist Robert (Bob) Heppener, die gisteren in Bergen (NH) op 84-jarige leeftijd overleed, was een eenling in het Nederlandse muziekleven. Liever dan zich iets van trends of stromingen aan te trekken, volgde hij zijn eigen lijn, vaak in het verlengde van de traditie. Oprechte muzikale uitdrukking vond hij belangrijker dan vooruitstrevendheid zonder innerlijke motivatie.

Heppener, geboren op 9 augustus 1925 in Amsterdam, studeerde compositie bij Bertus van Lier en piano bij Jan Odé en Johan van den Boogert. Tot zijn oeuvre behoren orkestwerken (waaronder één symfonie), film- en toneelmuziek, koorwerken en een opera.

Heppener hield in de jaren vijftig tot zeventig afstand van het serialisme; de soms extreem doorgevoerde rationalisering die toen de Europese muziek domineerde. Dat leverde hem aanvankelijk het stempel van traditionalist op, al schuwde hij de atonaliteit niet. Sinds de jaren tachtig, toen de traditie uit de taboesfeer kwam, kreeg hij steeds meer erkenning.

Heppener was een lyricus pur sang. Zijn composities worden gekenmerkt door een open en helder klankbeeld en een uitgebalanceerde constructie. Zijn vocale werken worden over het algemeen tot zijn beste gerekend. Met Im Gestein, op teksten van Paul Celan, won hij in 1993 de Matthijs Vermeulenprijs. Met soms lang uitgesponnen samenklanken roept Heppener een droevig melancholische sfeer op die perfect aansluit bij de teksten.

Heppeners voorliefde voor de natuur en de dierenwereld klonk ook geregeld in zijn werken door. Eén van zijn eerste grote werken ging over dierenvriend Sint Franciscus (Cantico delle creature di S Francesco d'Assisi, 1952). Verder schreef hij composities als Tussen bomen (1985) en Eglogues (Herderszangen, 1963).

In 1998 opende het Holland Festival met zijn opera Een ziel van hout naar het gelijknamige oorlogsverhaal van Jakov Lind over een Joodse jongen die tussen de dieren opgroeit en gaandeweg zijn eigen stem ontdekt. Aan het eind probeert een opportunist hem te vangen om hem na de oorlog als ‘excuusjood’ te gebruiken. „In spannende tijden komt het slechte in de mens boven, en we leren niets van het verleden”, zei Heppener daarover in deze krant.

Films waarvoor Heppener muziek maakte, waren ondermeer Het gangstermeisje (1966) van Frans Weisz, De stem van het water (1966) van Bert Haanstra en Pastorale 1943 (1978) van Wim Verstappen. Heppener kampte de laatste jaren met een slechte gezondheid, maar begon nog wel aan een nieuw Vioolconcert, dat hij niet meer kon voltooien.