Met een kano vol pillen en condooms op reis

‘Colombiaans bushdokteren!” schreeuwt Roberto, mijn Colombiaanse medearts, tegen de stortregen en het lawaai van de motor in. „Dat leer ik je in vijf minuten.” Ik trek de capuchon van mijn poncho een centimeter omhoog en buig naar voren om hem beter te kunnen verstaan.

Vanochtend om zes uur zijn we in onze ‘panga’ – een uitgeholde boomstam, volgestouwd met plastic stoeltjes, matrassen en medicijnen – op pad gegaan naar een afgelegen jungledorp. „Je ziet 300 mensen in twee dagen”, vervolgt Roberto, „dus drie minuten per consult en listo (klaar). Iedereen heeft parasieten. Omdat we niet kunnen testen welke, geven we ze allemaal dezelfde deparasiteermix. Alle kinderen hebben griep, meestal een virus. Maar omdat verder geen controle is, geven we ze toch antibiotica.”

„En resistentievorming?” wil ik terugschreeuwen, als de panga plotseling tot stilstand komt. Door het waterscherm ontwaar ik tussen de bomen een patrouilleboot, bevolkt door 17-jarige militairen. Patachuma, de verpleegkundige, overhandigt onze persoonsbewijzen aan een van hen. Ik staar naar het ‘Webster’-achtig jongetje en hoop heel hard dat hij weet hoe hij zijn geweer – dat half zo groot is als hijzelf – níét moet laten afgaan.

Na nog vier uur verplicht meditatief rivierstaren komen er eindelijk wat houten hutjes in beeld. Een horde kinderen rent de kleistenen trappen af en begint joelend de boot uit te laden. Dorpsoudsten en teamleden schudden handen en kloppen op schouders. Binnen een half uur is de inhoud van de medicijntonnen op een tafel uitgestald – de apotheek – liggen er twee matrassen op de grond – de spreekkamers – hangt er een slagersweegschaal aan een balk en staat het hele dorp in de rij.

Ik zou vanmiddag met Roberto meelopen om ingewerkt te worden, maar na twee patiënten is hij verdwenen en staan er twintig rondbuikige vrouwen voor mijn neus. „Anna es gynaecologa!” verkondigt hij luidkeels naast me. „Roberto heeft een hekel aan zwangeren”, fluistert Patachuma in mijn oor.

Er zijn twee vrouwen die ik inwendig moet onderzoeken. „Speculum?” Patachuma zoekt. „No hay (heb ik niet).” „Steriele handschoenen?” „No hay” „Gel?” „No hay” „Een hutje met muren?” Patachuma schudt lachend zijn hoofd. „No hay, doctora.”

Na enige ophef wordt er een tent gebouwd van sarongs. Met mijn mijnwerkerslamp op het hoofd tijger ik naar binnen. Groenige vaginale afscheiding in het kwadraat. Omdat ik niks kan testen, geef ik ze voor de zekerheid maar weer antibiotica. Op naar de resistentie! mompel ik, terwijl ik – verstrikt in een sarong – de tent weer uitkruip.

Het is inmiddels half zes en ik zie geen hand meer voor ogen. „Tijd voor anticonceptieles!” roept Roberto enthousiast. „Echt iets voor jou, Anna.” Hij duwt me een zak met pilstrips en condooms in handen, en wijst naar een groep vrouwen die verwachtingsvol onze kant op kijkt. „Wat weten jullie al over anticonceptie?” vraag ik. „Dat je van de pil onvruchtbaar wordt!” „En dik!” „En mannen worden impotent van condooms”, oppert een ander, waarop een felle discussie ontstaat. Een uur later ben ik 120 pilstrips kwijt (hoop dat ze ze niet verhandelen) en stuur de vrouwen weg om rustig met de mannen te kunnen praten. De visualisatie van een druipende gonorroe doet wonderen, en voor ik het weet wordt er gevochten om de condooms. Een van de vrouwen is terug en graait nu met twee handen in de tas. „Ik heb ze nodig voor mijn man!” gilt ze. „Nee! Ze zijn voor ons!” roepen de mannen. „Jij moet gewoon zorgen dat je man van andere vrouwen afblijft!”

Eerdere columns van Anne Hermans op de Achterpagina over haar co-assistentschap zijn gebundeld in ‘Het wittejaseffect’, uitg. Podium