Judocoaches moeten zich voorbeeldig gedragen

De bondscoaches moeten bij de finales van de WK judo in Rotterdam in maatpak verschijnen. „De bond trekt zich geen barst aan van wat wij vinden.”

De bondscoaches in het judo moeten zich bij de WK houden aan een heuse kledingcode. In de voorronden volstaat een trainingspak van de nationale equipe. Maar zodra de finales beginnen en de televisiecamera’s draaien, mogen trainers zich slechts tonen in maatpak met stropdas. Korte broeken, petten, spijkerbroeken, sweaters en slippers zijn uit den boze.

De kledingeisen horen bij het nieuwe reglement dat de wereldjudobond (IJF) opstelde voor bondscoaches. Judotrainers klagen niet voor het eerst dat zij niet zijn geraadpleegd. „Het huidige bestuur van de IJF trekt zich geen barst aan van wat wij vinden”, zegt Marjolein van Unen, bondscoach van de Nederlandse vrouwen. „Ik ben nu volledig bezig met de WK, maar ik baal hier ontzettend van. Hoe is het mogelijk dat bondscoaches, die toch niet onbelangrijk zijn in de sport, bij dit soort beslissingen niets wordt gevraagd?”

Voor het judo is het toch al een jaar van verandering. De wereldjudobond streeft naar een sport die eerlijker, begrijpelijker en aantrekkelijker is. Zo werd de kleinste van de vier scores – koka – afgeschaft en veranderde het systeem van herkansingen voor uitgeschakelde judoka’s. Nieuwe regels om het zogenaamde worstelen op de tatami terug te dringen komen er aan. Dat is wennen, meent Van Unen, al constateert ook zij dat de sport vooruit moet.

De wereldjudobond kwam echter begin dit jaar hard in botsing met de internationale coaches. Na enkele misdragingen bij de Olympische Spelen in Peking besloot de IJF hen zonder overleg naar de tribune te verbannen. „Feodaal”, oordeelde Cor van der Geest, technisch directeur van de Nederlandse judobond (JBN). Van Unen en mannenbondscoach Maarten Arens besloten bij de loting voor de wereldbekerwedstrijd in Parijs tot een protestactie met T-shirts met de opdruk ‘We have to shut up’. Enkele buitenlandse trainers volgden hun voorbeeld. IJF-voorzitter Marius Vizer smoorde de rel in een telefoontje naar JBN-voorzitter Jos Hell, met de toezegging in debat te treden met de coaches.

In juli constateerde de wereldjudobond tevreden dat het gedrag van coaches aanzienlijk was verbeterd en wijzigde de regels weer. Trainers mogen deze dagen in Ahoy achter de reclameborden plaatsnemen, maar mogen niet van hun stoel opstaan. Wie aanmerkingen heeft op de arbitrage of om correctie van scheidsrechterlijke beslissingen vraagt, riskeert een straf. Ook onfatsoen in woord en gebaar en het slaan en schoppen tegen reclameborden wordt aangepakt. „Geen ongeschoold gedrag”, vat Vladimir Barta, voorzitter van de internationale sportcommissie, samen.

Maar waar gedragsregels werden versoepeld, werden kledingeisen toegevoegd. Van Unen zegt al een ruim jasje te hebben uitgezocht, zodat ze bij finales toch wild kan gebaren. „Ik snap dat ze het aanzien van het judo omhoog willen krikken, maar het is niet mijn ding. In de warming-up kan het bovendien onhandig zijn. Bij een kort pakkingsgevecht zou ik uit dat mooie kostuum kunnen scheuren.” Van der Geest vergelijkt de positie van judocoaches met die van voetbaltrainers. „Ik ben ook zo’n veldwerker die vind dat een trainingspak moet kunnen. Maar eerlijk is eerlijk, een coach in pak ziet er beter uit.”

Chris de Korte, coach van enkele WK-deelnemers, reageert schouderophalend op de kledingcode. Hij kleedde zich vaak netter op momenten dat het er om ging en beschouwt judo als een sport voor gentlemen. De Korte krijgt bijval van Jan Snijders, voorzitter van de internationale scheidsrechterscommissie. „Bij wedstrijden staan twee judoka’s en drie scheidsrechters keurig in pak op de mat. De kleding van sommige coaches bleef daarbij achter en was niet in de stijl van de sport. Met de nieuwe regels zitten de coaches op de perfecte plek, met correcte kleding en een juiste attitude.”

Van der Geest beseft dat hij met zijn temperament een van de coaches was die als verkeerd voorbeeld diende. „Ze hadden net als in het voetbal moeten optreden. Als ze Cor van der Geest een paar keer naar de tribune hadden gestuurd, was het nooit zo ver gekomen. Ik ging bij wedstrijden tot het gaatje en nog verder. Met de nieuwe regels gaat deze IJF overal ondemocratisch doorheen. Zo komen we natuurlijk wel ergens, al gaat het wel eens te hard.”

Snijders geeft toe dat de eerste versie van de gedragscode te ver ging. „Coaches op de tribune, dat was niet goed. Iedere trainer hoort zijn sporter langs het speelveld te kunnen begeleiden. Maar het was wel een test die nodig was. Ook Nederlandse coaches waren het erover eens dat we nieuwe regels moesten opstellen. Misschien moest het wel op deze manier tot stand komen. Eerst een stapje terug, dan weer een stapje vooruit.”

Van Unen is in dit stadium slechts opgelucht dat ze haar judoka’s bij de WK in eigen land weer langs de mat kan bijstaan. „Ook al zal het lastig zijn niet op te springen of iets te zeggen bij scheidsrechterlijke dwalingen. Hopelijk is dat met de nieuwe videohulp aan de mat ook niet meer nodig.” Van Unen wil pas na de WK opnieuw de strijd aan met de IJF, die voor 1 mei 2010 – het begin van de olympische kwalificatie – opnieuw de coachcode wil evalueren. „Want de frustratie blijft.”