Inburgeraar laat zich lastig verleiden

Het aantal inburgeraars blijft sterk achter bij de doelstelling. Doen de gemeenten onvoldoende hun best, of zijn de verwachtingen te hoog?

In Rotterdam reed in 2007 een tram met de leus: „Inburgeren is een ander woord voor meedoen.” Overal hingen posters met dezelfde tekst. Het leverde niet veel nieuwe inburgeraars op.

De tekst op de tram en de posters zijn weg. Nu zijn er taalambassadeurs. Dat zijn mensen, vaak vrouwen, die zelf net een inburgeringscursus hebben afgerond. Zij gaan bij potentiële inburgeraars op bezoek en vertellen wat het voordeel is van de cursus. En er is één inburgeringsloket zodat duidelijk is waar iedereen moet zijn. Er zijn brochures in allerlei talen over het inburgeren. De nieuwe slogan is: „Natuurlijk leer ik Nederlands, ik ben toch Rotterdammer.”

Steden werken hard om inburgeraars te trekken, zegt een woordvoerder van het JOS, Jeugd Onderwijs en Samenleving, onderdeel van de gemeente Rotterdam. „We proberen van alles uit, maar sommige groepen zij lastig binnen te krijgen.”

Volgens minister Van der Laan (Integratie, PvdA) gaat het niet snel genoeg. Het aantal inburgeraars blijft in de meeste gemeenten ver achter bij het doel dat hij stelde. In de eerste zeven maanden van dit jaar werd er 20.000 keer met een ‘inburgeringstraject’ begonnen. Als de trend doorzet is dat aan het eind van het jaar 35.000. Het doel was 50.000. Ook blijkt dat 80.000 inburgeringsplichtigen nog geen aanbod voor een cursus hebben gehad. Van de 52 grotere gemeenten lopen er 13 op schema. Die gemeenten laten zien dat het doel wel haalbaar is, zegt Van der Laan.

Niet iedereen is inburgeringsplichtig. Sinds 1 januari 2007 is de Wet inburgering van kracht. Daarin staat dat alle vreemdelingen die naar Nederland komen of daar al zijn, moeten inburgeren. Maar er zijn ook ‘inburgeringsbehoeftigen’. Dat zijn mensen die wel een Nederlands paspoort hebben maar niet of onvoldoende Nederlands spreken en niet meedoen in de samenleving. Deze groep is veel groter dan de inburgeringsplichtigen. Zij moeten ook worden uitgenodigd om een cursus te volgen. Volgens Van der Laan moet dat effectiever, via alle denkbare kanalen.

Rabin Baldewsingh, PvdA-wethouder van Den Haag en verantwoordelijk voor de inburgering, is teleurgesteld over de toon van de brief van Van der Laan. „De suggestie dat gemeenten de inburgering geen bestuurlijke prioriteit geven, is zeer onterecht.”

Volgens Baldewsingh legt Van der Laan de lat te hoog. De lijst die Den Haag ontving met de namen van 21.000 mensen die moesten inburgeren, bleek sterk vervuild. Na de screening bleken slechts 1.200 daadwerkelijk een uitnodiging te moeten krijgen. Er stonden mensen op die leerplichtig zijn, mensen die ouder zijn dan 60 jaar en kandidaten met een tijdelijke verblijfstatus of een tijdelijke verblijfsvergunning. Baldewsingh: „Allemaal mensen die buiten de verplichte inburgering vallen.”

Sinds 2007 klagen gemeenten al over de bureaucratie die de wet met zich meebrengt. Hoewel de regels vereenvoudigd zijn, blijft het ingewikkeld, zegt Rik Grashoff (GroenLinks) verantwoordelijk wethouder in Rotterdam.

Baldewsingh vindt dat Van der Laan het aantal inburgeraars naar beneden moet bijstellen. De gemeente Den Haag zou in 2008 en 2009 elk jaar 4.100 verplichte inburgeraars hebben. „Zelf houden we het nu op 3.100. Anders halen we het niet. En dat is niet omdat we ons best niet zouden doen, de mensen zijn er eenvoudigweg niet. We moeten het dus hebben van de vrijwillige inburgering. Den Haag besteedt daar veel aandacht aan, maar dat traject is nog lastiger.”

Je moet mensen verleiden om in te burgeren, zegt Rik Grashoff. In Rotterdam en Amsterdam geldt niet langer een verplichte eigen bijdrage. „Maar dan nog moeten mensen het zelf willen.”

Dus benadrukt Rotterdam nu de voordelen voor de persoon in kwestie zélf: als je Nederlands spreekt, kan je zelf naar de dokter, kan je je redden in de winkel, ook als je de boter niet kunt vinden. Het is prettig om zelf met de leraar van je kinderen te spreken. En het is natuurlijk heel fijn als oma de kinderen kan voorlezen.

Grashoff vindt dat de inburgeringscursus meer maatwerk moet worden voor de verschillende inburgeraars. „Sommige mensen zijn hoogopgeleid, anderen kunnen niet eens lezen of schrijven in de eigen taal. Dus het komt regelmatig voor dat we de kandidaten eerst een alfabetiseringscursus moeten aanbieden voordat ze aan de inburgeringscursus kunnen beginnen. Maar zij tellen niet mee als inburgeraar.”