Hoe natuurlijk is seksualiteit eigenlijk?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: in hoeverre is seks cultureel bepaald?

Het gebeurt helaas te weinig, maar soms tref je op de Nederlandse televisie een heel mooie reportage aan. Zoals begin deze maand, toen het BNN-programma Spuiten en slikken op reis een kijkje nam achter de schermen van de Japanse seksindustrie. De kracht van de reportage schuilde niet zozeer in de diepgang ervan, maar in de presentatie van Dennis Storm, die door zijn onbevangen houding en oprecht geïnteresseerde manier van vragenstellen wel vaker de potentie etaleert een journalist te kunnen worden van het kaliber-Louis Theroux. Dat bleek ook tijdens zijn bezoek aan Japan.

Naast een bezoek aan de zogenoemde love hotels, waar Japanners vaak seks hebben omdat ze thuis nauwelijks privacy genieten, onderzocht Storm drie typisch Japanse seksfenomenen: het schoolmeisjesbordeel, de Mangastrip en de sekspop. De reactie van de presentator balanceerde steeds tussen oprechte verwondering en morele afschuw, maar veroordelen deed hij niet, ook al was het duidelijk dat de seksuele gebruiken in Japan geenszins strookten met zijn verwachtingen.

Dat bleek vooral toen Storm het schoolmeisjesbordeel aandeed: hij dacht daar volwassen vrouwen aan te treffen die, bij wijze van rollenspel, een stout schoolmeisje ‘speelden’, maar vond in werkelijkheid meisjes die, hoewel meerderjarig, zo jong en onschuldig oogden dat ze nauwelijks van echte kinderen te onderscheiden waren. Storm vertelde aan de kijker dat hij het voor onmogelijk hield deze meisjes „te associëren met seks” en uitte zijn verbazing over het feit dat de bezoekers van dit soort bordelen hen echt „geil” vonden. Hij zag in de meisjes eerder iets „waar je voor wilt zorgen”.

De verbazing werd nog groter toen de presentator de grootste Mangazaak van Japan bezocht. Mangastrips zijn vergelijkbaar met westerse stripboeken, met dien verstande dat ze door alle leeftijdsgroepen worden gelezen en goed zijn voor meer dan vier miljard dollar omzet per jaar. Naar schatting is zeker 40 procent van de Manga’s pornografisch van aard en meestal niet zachtzinnig erotisch: verkrachtingen, incest en bestialiteit zijn geen uitzonderingen, en zo expliciet als deze Japanse pornoboekjes zijn, is pornografie in het Westen zelden. „Het gaat hier echt heel ver”, constateerde Storm dan ook met zichtbaar ongemak.

Zijn verwondering bereikte een hoogtepunt tijdens het interview met een Japanse verzamelaar van Love Dolls – vrouwelijke sekspoppen die, van de borsten tot de vagina, op maat gemaakt worden. Volgens de Japanner waren de grote voordelen van vrouwenpoppen dat ze „nooit aan je kop zeuren zoals een echte vrouw” en „nooit vreemdgaan”. Hij had regelmatig seks met de Love Dolls, maar verzorgde ze ook, kleedde ze netjes aan en ging met hen op de foto. Storm wist niet of hij afkeer of begrip moest tonen, maar zeker was dat het hier niet om een eenling ging: Love Dolls zijn in Japan een miljoenenindustrie.

Het fascinerende aan deze reportage is dat ze de vraag opwerpt in hoeverre seksuele verlangens en gebruiken cultureel bepaald zijn. De meeste westerse kijkers zullen zich, net als Storm, moeilijk hebben kunnen inleven in de Japanse seksualiteit: kinderlijke schoolmeisjes, cartooneske verkrachtingen en plastic poppen wekken hier geenszins seksuele opwinding – zelfs niet als fantasieën.

Dat zou kunnen worden verklaard door een verschil in cultuur: Japan is van oudsher – en nog steeds – een zeer patriarchale, hiërarchische samenleving waarin dienstbaarheid en ondergeschiktheid een veel belangrijkere rol spelen dan hier. Zo worden vrouwen voornamelijk gezien als gezinsverzorgers, die zichzelf ondergeschikt horen te maken aan het huishouden en het welzijn van man en kinderen. Dat betekent echter niet dat mannen de dienst uitmaken: de doorsnee Japanse man heeft binnen het gezin, op zijn geld na, weinig in te brengen en ook op het werk, dat uitzonderlijk hiërarchisch is, vervult hij meestal een ondergeschikte functie.

Dat zou kunnen verklaren waarom zijn seksuele fantasieën grotendeels draaien om controle en overheersing: seks met gewillige schoolmeisjes, willoze poppen of weerloze mangameisjes geeft hem een gevoel van macht dat hij in het dagelijkse leven zelden ervaart. De grote vraag, waar ook Dennis Storm zichtbaar mee worstelde, blijft voor een westerling echter of deze vormen van seksualiteit moeten worden geaccepteerd als een natuurlijk gevolg van de Japanse cultuur, of juist moeten worden verworpen als perverse, onnatuurlijke afwijkingen.

Het antwoord op die vraag hangt volledig af van wat je onder ‘natuurlijk’ en ‘onnatuurlijk’ verstaat. Tot de negentiende eeuw, beginnend bij de opkomst van het christendom tot en met de Verlichting, hadden die begrippen in het Westen allebei een morele connotatie: wat natuurlijk was, was moreel toelaatbaar en werd aangemoedigd; wat onnatuurlijk werd genoemd, was moreel verwerpelijk en werd ontmoedigd en verboden.

Seksualiteit werd dus niet gezien als een ‘impuls’, maar als een beheersbare vorm van gedrag met een bepaalde functie, namelijk: voortplanting. Het was aan de gemeenschap om erop toe te zien dat seks op de ‘juiste’ (dat wil zeggen: natuurlijke) manier gepraktiseerd werd. Natuurlijk en onnatuurlijk waren, kortom, culturele begrippen waarmee men elkaar bepaald gedrag aanleerde. Zo bestempelde de christelijke filosoof Thomas van Aquino masturbatie als immoreel, omdat het ‘onnatuurlijk’ was.

In de negentiende eeuw veranderde deze connotatie radicaal door wat de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984) de „verwetenschappelijking van seksualiteit” noemde. Het begrip ‘natuurlijk’ kreeg, door de opkomst van het darwinisme en de genetica, een amorele connotatie: ze verwees niet langer naar beheersbaar gedrag, maar naar genetische en erfelijke eigenschappen waar de mens géén controle over had. Aan zijn seksuele neigingen kon de mens dus niets doen – die waren biologisch bepaald. Het begrip onnatuurlijk behield zijn culturele dimensie, maar nu in negatieve zin: ‘onnatuurlijk’ was aangeleerd gedrag dat de natuurlijke impulsen onterecht onderdrukte.

Deze wetenschappelijke notie van seksualiteit bereikte haar hoogtepunt in de jaren 60, toen bijna alle vormen van seksualiteit werden gezien als uitingen van natuurlijke verlangens en behoeften, zoals masturbatie en het hebben van meerdere bedpartners. Dit leidde ook tot de emancipatie van homoseksuelen en tot het feministische uitgangspunt dat vrouwen recht hadden op seksueel genot. Seks hoefde immers niet langer ‘in dienst’ te staan van de voortplanting.

Tegenwoordig is in het Westen een combinatie van de wetenschappelijke en culturele connotatie van seksualiteit gemeengoed. Wat betreft homo- en heteroseksualiteit verwijzen de meeste mensen – religieuze uitzonderingen daargelaten – naar het genetische en erfelijke aspect: we hebben geen controle over onze seksuele voorkeur en kunnen die dus ook niet aan- of afleren, laat staan veroordelen. Het probleem is echter dat deze opvatting de ruimte laat voor alle vormen van seksualiteit, inclusief pedoseksualiteit, bestialiteit, necrofilie en verkrachtingen. Dat zouden immers eveneens ‘natuurlijke impulsen’ kunnen zijn, die bestraft noch beteugeld kunnen worden – zoals de sekscultuur in Japan ons laat zien.

Dat wij die vormen van seks toch afkeuren, komt door een nog modernere notie van ‘onnatuurlijk’ die zijn filosofische wortels kent in het liberalisme. Het criterium voor perversiteit werd namelijk: gelijkwaardigheid. Dat wil zeggen, seks was toelaatbaar voor zover ze gebaseerd was op vrijwilligheid en wederzijds welbevinden. Of, zoals de Amerikaanse filosoof Thomas Nagel (1937) het zei: „Natuurlijk is datgene wat met wederzijdse opwinding gepaard gaat.”

Daarom vallen, naast verkrachtingen, ook pedoseksualiteit, bestialiteit en necrofilie tegenwoordig onder de noemer afkeurenswaardig: kinderen, dieren en doden worden niet in staat geacht vrijwillig aan seksuele handelingen deel te nemen. Poppenfetisjisme blijft voor ons dus een twijfelgeval: aan de ene kant heeft een pop geen vrije wil – en oogt het dus pervers – maar aan de andere kant is poppenseks ook niet onvrijwillig en doet men er dus niemand kwaad mee.

Zo bekeken is de ambigue houding van Dennis Storm volstrekt logisch: omdat hij niet kon vaststellen of de Japanse seksuele gebruiken vrijwillig van aard waren of niet, had hij geen moreel criterium voorhanden om ze te beoordelen. Tegelijkertijd kon hij zich, door zijn westerse achtergrond, moeilijk voorstellen dat de schoolmeisjes of poppenverzamelaars daadwerkelijk vrijwillig handelden – en ervoer hij dus eerder medelijden dan begrip. Hoe de menselijke ‘natuur’ werkelijk in elkaar stak, liet hij echter wijselijk in het midden. Zoals het een echte reporter betaamt.