Geen pardon voor de CIA

Directeur Panetta van de CIA heeft vermoedelijk de op één na zwaarste functie die nu in Amerika moet worden vervuld. Hij moet de dienst, die door de war on terror in diskrediet is geraakt, saneren en tegelijkertijd voorkomen dat de dienst verder wegzinkt. Dat is een helse opgave, nu minister Holder van Justitie een aanklager heeft aangewezen die moet onderzoeken of CIA-medewerkers zich schuldig hebben gemaakt aan foltering en andere strafbare feiten.

Holder kon niet anders, nadat zijn departement een geheim rapport over de CIA had vrijgegeven. In dit rapport uit 2004 concludeerde de inspecteur-generaal voor de dienst omzichtig dat de nieuwe verhoortechnieken sinds 11 september 2001 weliswaar bruikbare informatie hadden opgeleverd, maar dat hij niet kon vaststellen of normale ondervragingen geen nuttige inlichtingen zouden hebben opgeleverd.

Een officier van justitie, die al aanpalend onderzoek doet, moet nu gaan uitzoeken of strafrechtelijke vervolging van functionarissen en onderaannemers van de CIA geboden is. Daarbij is alleen de vraag aan de orde of ze de richtlijnen van president Bush hebben overschreden. De ‘martelmemo’s’ uit 2002 zijn geen onderwerp van eventuele vervolging. Daarmee zijn Bush en ex-vicepresident Cheney wel gevrijwaard.

Het besluit van Holder is niet alleen een slag voor Panetta. President Obama zit ook in een moeilijk parket. Tot nu toe heeft hij zich gekeerd tegen een juridische aanpak van de inlichtingendienst. Hij wilde zelf schoon schip maken. Strikt tactisch geredeneerd was die lijn verklaarbaar. Juist door de sanering van de CIA in eigen hand te houden, hoopte Obama verdere politisering van het verleden te voorkomen. Hij heeft al zoveel moeite om zijn politieke agenda op koers te krijgen.

Maar voor de VS biedt die halve aanpak van Obama geen soelaas. De martelmemo’s en de daaruit voortvloeiende verhoorpraktijken hebben de CIA namelijk veel dieper ondermijnd dan aanvankelijk werd gehoopt. The New York Times heeft afgelopen weken een aantal artikelen gepubliceerd waaruit een meer dan groezelig beeld opdoemt. Zo ging de CIA in zee met twee onprofessionele psychologen, die hun kennis ontleenden aan boekjes over de Koreaanse Oorlog. Ook wilde de CIA het liquideren van terroristen overlaten aan private beveiligingsbedrijven, omdat de dienst geen license to kill meer heeft.

De praktijken lijken de CIA niet alleen formeel maar ook moreel te hebben gecorrumpeerd. De oude esprit de corps laat zich niet herstellen door halve maatregelen. Eerst moeten de fouten worden erkend en geredresseerd. Gebeurt dat niet, dan loopt Amerika het risico dat de moraal van de martelmemo’s doorsijpelt naar andere geledingen. Want waarom zou een officier bij krijgsmacht of politie niet mogen wat een agent van de geheime dienst wel mocht?

Natuurlijk neemt Holder een groot politiek risico met de beslissing om een aanklager in stelling te brengen. Maar als hij die stap niet had gezet, had hij een groter maatschappelijk risico genomen. Die afweging moet ook Obama maken.