Al die knusse woordjes die ons bekend blijven voorkomen

De laatste keer (1926) dat er enig gedonder was over de diepte van de Westerschelde en het Belgisch recht op waterwegen dwars door Nederland, stond een ingenieur derde klas van de provinciale waterstaat van Utrecht op, die een ‘Belgisch Verdrag’ het bewijs noemde van ons gebrek aan nationaal zelfrespect. „Ons volk moest helemaal opnieuw leren nationaal te zijn”, zou hij kort voor z’n dood in 1946 in een terugblik schrijven. „De nationale geest moest van begin af aan weer helemaal worden opgebouwd. Een nationaal réveil was noodzakelijk.”

Anton Mussert.

Leuk, al die woordjes die na 80 jaar nog zo bekend voorkomen.

Overige vergelijkingen tussen toen en nu gaan mank. Nederland schijnt intussen een ambassadeur in Vlaanderen te hebben, die onlangs nog op het matje is geroepen door de minister-president van een paar Belgische provincietjes met een eigen vlag.

In de dagen van Anton werden de onderhandelingen gevoerd op het niveau van Buitenlandse Zaken. Ze waren toevertrouwd aan de Nederlander Herman Adriaan van Karnebeek en de Belg Paul Hymans. Twee volwassen staten dus, die tot een verdrag kwamen dat in de Haagse Tweede Kamer eerst nog werd aangenomen met een krappe (50-47) meerderheid, maar tot vreugde van het volk (duizenden mensen samengestroomd op het Binnenhof) drie maanden later in de Eerste Kamer als ‘een voor Nederland vernederende overeenkomst’ geen kans maakte. De burgeringenieur had met één grote nationale actie jonkheer Karnebeek ten val gebracht.

Allemaal veranderd. In de Volkskrant van gisteren las ik dat Herman Wijffels de Nederlandse aanpak van het nieuwe Westerschelde-probleem heeft ‘gekraakt’.

Wijffels?

Toch niet de voedstervader van Balkenende IV? Wat heeft die er nou weer mee te maken?

Maar let op: ‘Wijffels is een Zeeuw.’

Op dat niveau zijn we nu aangekomen. Het schijnt dat Yves Leterme, de grote loser van de Belgische federale politiek, gisteren nog wel met Balkenende heeft gesproken (of heeft hij als minister van Buitenlandse Zaken Balkenende op zijn onnozel matje geroepen?) – maar het is duidelijk dat het eigenlijke overleg de kern van alle nationalisme heeft bereikt, te weten de negorij. De ware onderhandelingen worden in het diepste geheim waarschijnlijk gevoerd tussen een gemeenteraadslid van Philippine en een schepen van Assenede. En die zullen er samen heus wel uit komen. ‘Ich bin ein Zeeuw.’

Heeft u de afgelopen dagen nog naar een VRT-verslag van de IJzerwake gekeken?

De IJzerwake wordt sinds een aantal jaren in Steenstrate bezocht door Vlamingen die vroeger naar de bedevaart gingen, maar die niet meer nationaal genoeg vinden. Gastspreker was dit jaar iemand die Fons Crols heette, en die o.a. deze stelling lanceerde: „Wij moeten Brussel loslaten, en op die manier een zware grendel wegschuiven van de poort naar de onafhankelijkheid.”

Brussel loslaten! Dan maar een andere hoofdstad voor Vlaanderen, of desnoods geen hoofdstad, of anders het dorp St Job in het Goor: lekker dicht bij het land waarmee Vlaanderen zich dank zij de TaalUnie toch stamverwant mag voelen, en waar noordelijke onderhandelaars nog altijd gemakkelijk naar toe kunnen komen fietsen via de kasseienweg naast de E17.

‘België Barst!’, zag je in de reportage op de achterkant van een T-shirt – en dat zal wel moeten. We willen als fatsoenlijk land (‘de aard van ons politieke bestel komt hier weer naar boven’, verklaarde de Zeeuw Wijffels zich nader in de Volkskrant) toch geen buur hebben met een Berlijnse of Jeruzalemse murenruzie in hun hoofdstad? België weg, Albert en Paola gevlucht naar Menton, zoals ooit koning Zog van Albanië en al die andere Balkanvorsten daar hun rust zochten als in een verbanningsreservaat, en wij alleen met de onuitgebaggerde Westerschelde – net als vroeger eigenlijk, met al die knusse woordjes die ons ook na tachtig jaar bekend blijven voorkomen.

Jan Blokker