Rotterdams exorcisme

In tijden van angst – voor politieke, religieuze of sociale spanningen of voor bedreigingen van buitenaf – zoekt men verraders. Ook in een samenleving als de onze, waar afwijkende meningen getolereerd en door de wet beschermd worden, komt de neiging naar voren een dissident af te schilderen als een gevaarlijk individu, die heimelijk de belangen van de vijand dient en in het verborgene tegen de bestaande orde samenspant. Dit lijkt mij de betekenis van de zaak-Tariq Ramadan, door de gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit als een duivel uitgedreven. Niet zijn meningen zijn in het geding, maar het vermoeden dat hij door zijn medewerking aan een televisiezender van het Iraanse regime by association medeplichtig is aan onderdrukking en zelfs, zoals Afshin Ellian fijntjes wist op te merken, „werkt voor een club van leugenaars en staatsverkrachters”.

Het Rotterdamse exorcisme doet onvermijdelijk denken aan het mccarthyisme, de heksenjachten in Amerika tijdens de Koude Oorlog. Amerikaanse communisten, fellow travellers, liberals, vrijzinnige intellectuelen en kunstenaars, voormalige New Dealers (die het sociaal-economische programma van president Roosevelt uitvoerden) werden uitgestoten – niet op grond van wat zij voorstonden, maar als gevaarlijke, en, als zij niet bekenden, achterbakse, handlangers van de Sovjetvijand. Dat was uiteraard onvergelijkbaar met de praktijken in de stalinistische dictaturen, maar heeft wel grote schade toegebracht aan de Amerikaanse samenleving, in het bijzonder de vrijheid van denken.

Ik trek de parallel omdat in de Verenigde Staten zelf een debat gaande is over de vraag of de Amerikaanse belangen niet meer zijn aangetast door de anticommunistische campagnes dan door beweerde Sovjethandlangers. Waarom werd dit ineens weer actueel? Omdat precies de argumenten en redeneringen uit de tijd van de Koude Oorlog door Bush werden gehanteerd ter rechtvaardiging van een antiterrorismebeleid dat in strijd was met de burgerrechten. Het draait dus om de vraag of er bij de bestrijding van gevaren van het islamitisch fundamentalisme voldoende vertrouwen kan worden gesteld in de mechanismen van de democratie en de rechtsstaat, of dat men de vrijheden (met name in dit geval de academische vrijheid) ervoor wil opofferen.

„Dit is waar het verleden het heden ontmoet”, schrijft historicus Susan Jacoby in een recente studie over de McCarthy-tijd. Wie de vrijheden ondergraaft of inperkt, brengt de samenleving meer schade toe dan fundamentalistische terroristen kunnen doen. Een dergelijke ondermijning van de vrijheid is „on-Amerikaans”, schrijft zij, „maar dan in de omgekeerde zin van wat daar in de McCarty-tijd onder werd verstaan.”

In die betekenis is de uitdrijving van Ramadan door de Erasmus Universiteit on-Nederlands te noemen. Nergens heeft de academische vrijheid zoveel historische wortels als hier. Het magistrale werk van Jonathan Israel Radicale Verlichting maakt duidelijk dat de Verlichting in Europa zo niet alles, dan toch onnoemelijk veel te danken heeft aan de omstandigheid dat er in de Republiek der Zeven Provinciën iets meer (zij het nog beperkte) vrijheid tot publiceren bestond dan elders. Bij de voortgang van tolerantie en vrijheid van denken, zo citeert hij de Franse filosoof Argens, staat Europa vooral bij Nederland in het krijt, de nieuwe filosofie zou overal elders ogenblikkelijk verboden zijn door een menigte monniken.

Overigens draait het hele boek van Israel om de grootse gestalte van Spinoza (ook door zijn gematigde Nederlandse tijdgenoten als gevaarlijke dissident beschouwd, de grootste vijand van het christendom, ja, als een ‘nieuwe Mohammed’). Alsof Spinoza het tegen de angsthazen en fanatici van nu opneemt voor Tariq Ramadan, waarschuwde onze grootste Verlichtingsfilosoof: „Alle pogingen om meningsuitingen aan banden te leggen en boeken te censureren, beperken niet slechts legitieme vrijheid, maar brengen de staat zelf in gevaar.” De werkelijke scheurmakers, schreef hij over het conflict tussen remonstranten en contraremonstranten dat de Republiek in 1618 op de rand van een burgeroorlog bracht, „zijn degenen die geschriften van anderen veroordelen en de twistzieke menigte opruien tegen die schrijvers, en niet de schrijvers zelf”, doelend op de filosofen. Het recht van de overheid, stelde Spinoza, heeft alleen betrekking op daden, zowel in godsdienstige als profane zaken, maar voor het overige „wordt het individu toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt”.

De woeste scheldpartijen tegen Ramadan – wat er ook zij van diens opvattingen – lijken trouwens sterk op de verwijten die Spinoza’s navolgers te horen kregen van het gezag, ook van het universitaire gezag, in Europa van noord tot zuid. Zij heetten verraders, die de fundamenten van de samenleving aantastten. Zij verdienden eeuwige verdoemenis wegens de duivelse opvattingen die zij bij Spinoza „uit zijn vergiftigde prammen gezogen” hadden.

Het boek van Jonathan Israel, waar ik dit aan ontleen, bevat leerzame stof voor iedereen die zich op de Verlichting beroept, zoals Ellian, en het bestuur van de Erasmus Universiteit. Dat verwijt, samen met de gemeente Rotterdam, Ramadan een ‘indirecte relatie’ met het regime in Iran, maar maakt niet duidelijk hoe uit een ‘indirecte relatie’ ongeoorloofde wetenschappelijke opvattingen kunnen voortkomen. En evenmin welke wetenschappelijke opvattingen volgens de Rotterdamse Alma Mater ongeoorloofd zijn en op welke gronden.

Het absurdisme waartoe de angst voor het islamitische fundamentalisme leidt, wordt geïllustreerd door het besluit van de Universiteit van Yale om een boek over de Deense cartoonrellen (The Cartoons That Shook the World door hoogleraar politicologie Jytte Klausen) te ontdoen van aanstootgevend illustratiemateriaal, niet alleen de omstreden cartoons zelf, maar ook een tekening van de 19de-eeuwse kunstenaar Gustave Doré van Mohammed die gemarteld wordt in de hel, een episode uit Dantes De goddelijke komedie. Dus dadelijk zal ook Dantes werk zelf op de universitaire index komen te staan.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty