Kabinet, doe met ghb niet wat je al met wiet en paddo's deed

De drug ghb is minder verslavend en schadelijk dan alcohol, cocaïne en tabak.

Reguleer de verkoop ervan en je voorkomt problemen.

Wie het artikel over het gebruik van uitgaansdrug ghb (gammahydroxybutyraat) leest (nrc.next, 21 augustus) kan gemakkelijk denken: ‘Het zou verboden moeten zijn!’ Of, als men weet dat dit roesmiddel allang verboden is: ‘Waarom wordt ghb niet harder bestreden!?’

Op vragen in deze geest van CDA-Kamerlid Ciska Joldersma antwoordde minister Klink (Volksgezondheid, CDA) in mei dat er weinig te doen is tegen ghb, omdat het zo gemakkelijk thuis te maken is. Hij voegde eraan toe dat het gebruik ervan en de problemen daarbij wel zijn toegenomen, maar dat ze relatief „beperkt” zijn.

Als we afgaan op het regeringsbeleid van de afgelopen periode (de invoering van het paddoverbod en de hardere aanpak van de wietteelt), valt te vrezen dat de regering bij de voor dit najaar aangekondigde herziening van het drugsbeleid, toch een repressievere koers zal kiezen.

In het recente rapport Ranking van drugs van het RIVM krijgt ghb samen met benzodiazepines en cannabis een middenpositie qua schadelijkheid en verslavingsrisico, ruim onder alcohol, cocaïne, heroïne en tabak (in alfabetische volgorde, omdat ze elkaar weinig ontlopen).

De Commissie Van de Donk, die begin juli in opdracht van de regering advies over het toekomstige drugsbeleid uitbracht, heeft geconcludeerd dat het gebruik van verboden middelen nauwelijks vermindert door repressie. Dit stemt overeen met de wetenschappelijke consensus die hierover al een tiental jaren bestaat.

Dat het drugsverbod enorme schadelijke onbedoelde gevolgen heeft - ik noem slechts de grote zwarte markt die graag ook aan jongeren levert – kan hardop gezegd worden sinds VN-drugschef Costa dat op de drugstop in Wenen in 2008 toegaf. De commissie-Van de Donk durft echter niet de logische conclusie te trekken dat het verbod onnodig is. Het enige argument dat de commissie aanvoert tegen legalisering (van cannabis) is dat dit alleen zou kunnen in overleg met de EU en de VN. Andere argumenten noemt de commissie niet. Impliciet erkent de commissie Van de Donk dus wél dat de gezondheidsrisico's om regulering vragen en niet om een verbod.

Hoe kan regulering van ghb eruit zien, wanneer we ons laten leiden door rationele en desnoods contra-intuïtieve overwegingen, en niet door de rampzalige internationale drugsverdragen?

De internationale drugsconventies, die iedere wetenschappelijke onderbouwing ontberen, zijn officieel gericht op ‘drugsbestrijding’, maar hebben in feite vooral bijgedragen aan de snelle en ongecontroleerde globalisering van de illegale drugsmarkten. In Nederland wordt met ontzag tegen deze verdragen opgekeken, terwijl ze in de grotere landen waar deze discussie ook gevoerd wordt, geen rol van betekenis spelen – en al helemaal niet in de VS, waar onder Obama het debat over drugslegalisering op gang komt.

De kern van het drugsprobleem is dat het assortiment legale roesmiddelen blijkbaar te klein is. Naast aardbeien, appels en peren willen we ook graag kiwi’s, mango’s en papaja’s. We willen ook kunnen genieten van wat de wereld verder te bieden heeft, en naast koffie, sigaretten, en alcoholische dranken geldt dit ook voor de overige roesmiddelen. Het is een gevaarlijke illusie dat dit met een verbod kan worden tegengehouden.

Prohibitie leidt ertoe dat vooral de sterkste van de verboden middelen en de sterkste varianten ervan verhandeld worden. Op een goed gereguleerde markt zullen, net zoals bij alcoholische dranken, niet alleen de sterkste, maar ook minder krachtige variëteiten beschikbaar zijn. Juiste informatie over de risico’s kan tot veiliger gebruik leiden, en tot een voorkeur voor minder riskante middelen.

Ghb hoeft dan niet meer thuis gemaakt te worden, met alle risico’s van dien, maar kan op een betrouwbaar adres worden gekocht waar ook wordt gelet op leeftijd en probleemgebruik.

Overigens, ook wanneer er een ruimer assortiment roesmiddelen is, met een goed functionerende regulering, kunnen er problemen ontstaan rond het gebruik van een ‘nieuw’ middel. Een speciale regeling voor nieuwe middelen lijkt een goed idee, maar zoiets is alleen mogelijk als er een werkzame regeling bestaat voor de ‘oude’ roesmiddelen. Dat is helaas nog niet het geval, en tot het zover is zullen we wel doorgaan met dweilen met de kraan open, ook bij ghb.

Freek Polak is van 1990 tot 2003 als psychiater verbonden geweest aan de Drugsafdeling van de GGD Amsterdam en is bestuurslid van de Stichting Drugsbeleid