Ik was 28 en ik had nog een heellevensverlanglijstje

Jonge hoogopgeleiden koesteren hun vrijheid en stellen hun eerste kind uit.

Dat kan. Maar je kunt ook een andere keuze maken.

Een kind hoeft je leven niet te veranderen, zeggen kersverse ouders zelfverzekerd wanneer het kraambed nog warm is. Mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn, zeggen ouders die inmiddels door de wol zijn geverfd. En, hoe ziet jouw leven er nu uit, met een kind? Die vraag krijg ik, van mijn kinderloze vrienden.

Jouw leven. En hoe dat verandert door een kind. Het is dé zorg van de bevolkingsgroep waar ik mijzelf toe reken: grootstedelijk, hoogopgeleid, ambitieus. Een zorg die gaat spelen wanneer mensen op de leeftijd komen dat ze aan kinderen beginnen te denken; omdat ze er biologisch gezien meer dan aan toe zijn, omdat ze zijn afgestudeerd, een baan en een relatie hebben.

En dan volgen meestal jaren van stille twijfel en uitstel. Er dienen zich nieuwe carrièrekansen en potentiële partners aan. Relaties gaan voorbij. Intussen boekt de wetenschap vooruitgang. Ook vrouwen van eind dertig, begin en midden veertig worden zwanger. Het gaat niet makkelijk, nee, maar het kán. Nu het invriezen van eitjes ook geen utopie meer lijkt, staat de (vrouwelijke) dertiger weinig meer in de weg. Zij kan alles uit het leven halen wat erin zit; ruim baan geven aan een carrière en haar persoonlijke ontwikkeling, met het gedroomde gezin in het vooruitzicht.

Mocht iets de planning in de war schoppen – het is je bijvoorbeeld per ongeluk iets te vroeg gegund een kind te verwachten, terwijl je net van plan was een wereldreis te maken – dan staat niets je in de weg de zwangerschap te beëindigen. En het later opnieuw te proberen.

Achter deze façade van keuzevrijheid en zelfontplooiing voltrekt zich een klein drama, schreef Barbara van Erp eerder deze maand in Vrij Nederland. Het aantal vrouwen dat hun eerste kind uitstelt tot na haar vijfendertigste neemt toe, terwijl de vruchtbaarheid van een vrouw vanaf die leeftijd in rap tempo afneemt. Volgens een rapport van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (2007) zorgen relatieontbinding en echtscheiding ervoor dat mensen minder kinderen krijgen, en later dan ze zouden willen. Van Erp citeert een vooraanstaand gynaecoloog die spreekt over een wereldwijde onvruchtbaarheidsepidemie.

Cruciaal in het stuk van Van Erp is haar opmerking dat zij zelf op haar zevenentwintigste al aan het uitstellen was, ook al ervoer ze dat niet zo. Zij leefde het leven van de jonge, veelbelovende grootstedeling. De gedachte aan kinderen kwam simpelweg niet in haar op. Dit is uiteraard een persoonlijke ervaring, maar ook een die niet op zichzelf staat. Haar ervaring wordt mede bepaald door de sociaal-maatschappelijke context.

Hierbij gaat het niet alleen om zaken zoals kinderopvang, zwangerschaps- en ouderverlof voor man en vrouw. Ook de heersende mentaliteit ten aanzien van het krijgen van kinderen beïnvloedt de beslissing óf en wanneer je hieraan begint. Wat betekent het krijgen van een kind?

Uiteraard is het antwoord voor iedereen verschillend. Maar wat mij opvalt in gesprekken met vrienden is dat de meeste antwoorden zich toespitsen op de beperkingen die een kind met zich meebrengt. Wat betekent een kind voor mijn carrière, voor mijn vrijheid, kan ik nog naar hartelust op reis en tot het ochtendgloren door de stad struinen?

Je kunt het als winst beschouwen dat we op deze manier nadenken. Het betekent dat we vrij zijn in onze keuze of en wanneer we ons voortplanten. Het weerspiegelt een vertrouwen in de maakbaarheid van het leven. We hebben luxe te twijfelen. Denken we. Maar dat vertrouwen blijkt dus lang niet altijd terecht.

In Groot-Brittannië heeft de vruchtbaarheidsdiscussie inmiddels een kookpunt bereikt. Vrouwen worden met campagnes aangespoord liever niet te lang te wachten, een Britse columniste fulmineerde onlangs in The Guardian dat Engeland een tegenwoordig een „scary place ” is voor een vrouw in de dertig omdat ze vanuit alle hoeken wordt bestookt met waarschuwingen over de ‘infertility time bomb’. Dat dit te ver gaat ben ik met haar eens. Ook ik zou mijn hakken in het zand zetten wanneer de overheid me voor zou proberen te schrijven wanneer ik het beste zwanger zou kunnen worden.

Wat wél helpt zijn verhalen van vrouwen die verkeerd hebben gegokt. En die daar spijt van hebben. Ik herinner me een subtiele aanmoediging van een oudere vriendin. Zij had te lang gewacht en is ondanks talloze IVF-behandelingen kinderloos gebleven. Als ik kinderen wilde en er klaar voor was, moest ik niet langer aarzelen, zei ze een keer tegen me. Ik was toen achtentwintig. Goed, dacht ik. Maar mijn leven dan? Ik wilde nog in New York wonen, met een auto door Afrika trekken, op retraite in een klooster in Japan. Ik wilde schrijven, romans en scenario’s, mijn Frans verbeteren en nog zó vreselijk veel boeken lezen. Bovendien lagen mijn vriendje en ik in die tijd regelmatig met elkaar overhoop. Maar ik vergat het verhaal van die vriendin niet.

Nu is het dan zover. Ik ben moeder geworden, op mijn dertigste. Tijdens mijn zwangerschap heb ik een paar maanden in New York gezeten, waar ik aan een boek schreef. Tegenwoordig werk ik weer gewoon, net zoveel als vroeger – nooit geweten hoeveel je in een avond kunt doen. En ik lees, kranten en boeken. Anders dan wat mij verteld werd, kom ik daar wel aan toe, al is het minder dan voorheen.

Die andere wensen op mijn levensverlanglijstje worden makkelijk vervangen door andere plannen, op reis mét kind bijvoorbeeld. Ik moet een stuk minder van mezelf. De essentie van het krijgen van een kind is namelijk dat er een nieuwe prioriteit aan je to do lijst is gevoegd: het leven van iemand anders.

Marte Kaan is freelancejournalist