De Koerden zijn een pion geworden

PKK-leider Öcalan beloofde met een vredesplan te komen.

Maar nu is het juist de Turkse regering die met voorstellen komt voor een oplossing van het conflict.

Even leek het alsof de leider van de Koerdische afscheidingsbeweging PKK, Abdullah Öcalan, de show zou stelen. Op de 25ste verjaardag van de eerste aanslag die zijn beweging in Turkije pleegde, zou hij vanaf het eiland Imrali waar hij tien jaar van zijn levenslange gevangenisstraf heeft uitgezeten „een routekaart voor de vrede” ontvouwen waarmee het conflict tussen de Turken en de Koerden voorgoed zou worden opgelost.

Op de verjaardag zelf, nu tien dagen geleden, bleef Öcalan stil, net als de dagen erna. Zijn advocaten kwamen de afgelopen week telkenmale met lege handen terug van Imrali. Eerst met het excuus dat ze niet genoeg tijd hadden gehad om alle voorstellen van Öcalan te noteren. Een paar dagen later zou de buitenboordmotor van hun bootje op weg naar Imrali het hebben begeven.

Intussen lijkt de werkelijke routekaart zich niet op Imrali te ontvouwen, maar in Ankara. Er gaat geen dag voorbij zonder dat premier Recep Tayyip Erdogan nieuwe plannen in het vooruitzicht stelt om het conflict met de Koerden op te lossen. In de kwart eeuw sinds 15 augustus 1984 kostte het conflict aan 40.000 Turken en Koerden het leven. „De tijd voor een radicale oplossing is gekomen”, zei Erdogan dit weekeinde. „We zullen tot het einde gaan, wat de prijs ook is. Onze moeders hebben genoeg tranen gelaten.”

Die woorden sprak Erdogan eerder. Het moet nog blijken of hij inderdaad een algemene amnestie gaat geven aan de strijders van de PKK of volledige economische en culturele rechten aan de Koerden toekent, zoals de Turkse pers suggereert. Maar zijn regering stond deze week alvast toe dat een dorp in het zuidoosten van het land zijn Koerdische in plaats van zijn Turkse naam op de straatborden gebruikte. Tientallen andere dorpen mogen dat voorbeeld volgen. Er werd begonnen met onderwijs in het Koerdisch aan ten minste één openbare school.

En de Turkse regering praat nu niet alleen over de Koerden, maar ook mét. De premier zelf had eerder deze maand een ontmoeting met de voorman van de Koerdische partij in het parlement, de DTP. Hij vergat zijn eerdere retoriek dat zo’n gesprek pas mogelijk zou als de DTP de gewapende strijd van de PKK veroordeelde. De Turkse minister van Binnenlandse Zaken ontving de afgelopen weken tal van vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap, van activisten tot schrijvers. Dit allemaal terwijl voor voorgaande regeringen Koerden niet eens bestonden. Het meest opvallend is dat de AK-regering handelt met de goedkeuring van het leger, dat het meest belang heeft bij het voortslepen van de sluimerende oorlog. Tijdens een zitting van de nationale Veiligheidsraad kreeg Erdogan steun van de chef-staf om de toenaderingspogingen naar de Koerden voort te zetten.

Waarom nu? Volgens de nationalistische oppositie die zich schuimbekkend verzet tegen toenadering is het duidelijk: de AK wil de Turkse staat vernietigen en danst naar het pijpen van de Amerikaanse regering die sinds het aantreden van president Obama aandringt op een vergelijk.

De Amerikanen hebben inderdaad haast. Washington hoopt dat de PKK haar streven naar een eigen staat opgeeft en de bergen op de grens tussen Turkije en Noord-Irak verlaat nog voor de Amerikaanse gevechtstroepen zich volgend jaar zomer uit Irak hebben teruggetrokken. Die terugtrekking is ook voor de PKK een aanmoediging om nu zaken te doen. Met het vertrek van de Amerikanen raakt zij haar beschermheren in het Midden-Oosten kwijt. De denktank International Crisis Group wees er onlangs op dat Turkije nu het enige land in de regio is dat zaken met de PKK zou willen doen. Irak wil de Koerdische militanten in kampen op zijn grondgebied zo snel mogelijk kwijt. Een eerste aanwijzing dat de PKK het vechten moe is, kwam van de man die nu op de grond de beweging leidt. „Het is tijd om de oorlog te beëindigen”, zei de PKK-commandant van de naar schatting 2.500 strijders in Noord-Irak, Murat Karayilan, deze week tegen een aantal buitenlandse kranten.

Voor de Turken dringt de tijd evenzeer. Niet alleen omdat na de terugtrekking van de Amerikanen de Iraakse regering zich waarschijnlijk meer op de Arabische wereld gaat richten. Niet alleen omdat de Iraakse Koerden Turkije als transitland nodig hebben om hun olie en gas aan de rest van de wereld te leveren. De AK-partij lijkt sinds de gemeenteraadsverkiezingen van maart te beseffen dat alleen de hervormingsagenda waarmee zij in 2002 aan de macht kwam, haar nog kan redden. De AK werd met name in het zuidoosten hard afgestraft door Koerdische kiezers die massaal voor de DTP stemden uit teleurstelling over het uitblijven van werkelijke veranderingen. Na hoopgevende hervormingen in de eerste twee jaar dat de AK aan de macht was, werd het ‘Koerdische probleem’ de laatste jaren toch weer uitbesteed aan het leger.

Dat is ook de Europese Unie opgevallen. Met haar passieve beleid jegens de Koerden en andere hervormingen gaf de AK-regering tegenstanders van Turkse toetreding goede reden tot almaar luider wordend verzet. Terwijl juist de belofte van Europa en democratisering de AK-partij haar grote conservatieve achterban bezorgde. Europa is voor die gelovige achterban de beste bescherming tegen de seculiere elite en het leger dat in 1997 nog een fundamentalistische premier, Erbakan, uit de macht verdreef. De Koerden zijn pion geworden in de overlevingsstrijd van de machthebbers.

En Abdullah Öcalan? Zijn naam viel dit weekeinde niet eens meer in de Turkse pers. Kennelijk wacht de PKK-leider liever om te zien wat de Turkse regering nog meer in petto heeft. Hij heeft de tijd.