Ben je mal!

Als Rascha Peper schrijft over een ‘lelijke’ mok, wil haar uitgever liever een ‘ranzige’ mok. En liever ‘meiden’ dan ‘meisjes’. Moderner.

DoorRascha Peper

Zouden er schrijvers bestaan die een manuscript bij hun uitgever inleveren waarin niets meer veranderd of geschrapt hoeft te worden? Een boek waarin de plot van a tot z staat als een burcht, waarin zelfs de geringste bijfiguur tot leven komt en waarin je nergens op overbodige adjectieven of uitweidingen stuit? Het enige wat de uitgever nog te doen heeft, is een zucht van bewondering slaken, de boel naar de drukkerij sturen en roem en geld incasseren. Ik weet niet of zulke gevallen van autonome perfectie voorkomen (Gerard Reve misschien?) en dat valt ook moeilijk te achterhalen, want de meeste schrijvers praten niet over de redactionele correcties op stijl en inhoud van hun romans of verhalen. Voor wie niet zo jaloersmakend trefzeker formuleert, is het verwerken van de kritiek van de uitgever een cruciale fase in de afronding van een boek. Confronterend, pijnlijk (je wordt genadeloos met je neus op je zwakheden gedrukt), maar heilzaam.

In zo’n confronterende fase bevind ik me nu. Ik herschrijf mijn eigen tekst. Over de door de redactie gesignaleerde missers, uitglijers, saaie stukken en overvloedige details zwijg ik maar – ik hoef de dames en heren recensenten het venijn niet op een presenteerblaadje te leveren – maar er is één ding waar ik telkens tegenaan loop: mijn uitgever vindt mijn taalgebruik ouderwets. Dat zal wel zo zijn en daar kan ik eigenlijk best mee leven. De vraag is alleen: in hoeverre moderniseer ik die taal zonder van mezelf te vervreemden? Dat sommige personages in het boek oude mensen zijn, maakt het er niet gemakkelijker op.

Een man van drieëntachtig maakt samen met zijn tamme kraai ‘de laatste schraapsels uit een korst kaas soldaat’. Dat ‘soldaat maken’ snapt niemand meer, volgens de uitgever. ‘Schraapt de laatste restjes uit een korst kaas’ staat in de kantlijn. Maar ik hecht te veel aan die soldaat om hem te vervangen. Dezelfde oude man denkt aan een vrouw met wie hij vroeger ‘een intieme betrekking heeft onderhouden’. ‘Relatie heeft gehad’ staat ernaast. Ja, natuurlijk, tegenwoordig heb je een relatie. Eens over nadenken.

Nog steeds dezelfde hoofdpersoon heeft al twaalf jaar een charmante, veel jongere buurvrouw met wie hij op zijn manier een beetje flirt. ‘Nu hij een morsige, ouwe vent was geworden’ schrijf ik, ‘stelde ze zich moederlijker op’. Het eerste deel van de zin is omkringeld en de nog vrij jonge redactrice heeft in de kantlijn gezet: was hij dat twaalf jaar geleden dan ook al niet? Een doordenkertje dat de stijl overstijgt. Er schiet me een mop te binnen die een oude vriend eens vertelde. Twee stokoude heertjes komen op straat achter een wulps heupwiegende dame te lopen. Zegt de een tegen de ander: ‘Ach, waren we nog maar zeventig!’ Nee, lieve, jonge redactrice, geen enkele twijfel hier, dat blijft gewoon staan.

Maar wat te doen met ‘Ben je mal!’? Dat kan blijkbaar ook niet meer. Het is tot drie keer toe veranderd in ‘Ben je gek!’ Mal is me dierbaarder. En mirakels? Vind ik een leuk woord, maar ‘Wat kun jij mirakels lekker koken’, wordt afgekeurd en zou ‘geweldig lekker koken’ moeten worden. Doen of niet? Af en toe suggereert de redactrice, die zelf tienerdochters heeft en dus meer van hedendaagse taal weet dan ik, een modieus woord. Ik laat een tienjarig meisje over een oude, emaillen kroes zeggen: een lelijk ding. Lelijk is aangestreept en in de kantlijn staat: ranzig is hèt woord op dit moment! Dat vind ik interessant om te weten en het woord bevalt me ook wel, maar moet ik dan een modewoord gebruiken dat ik bij het schrijven van het verhaal niet eens kende?

En zie: daar duiken zelfs de meiden op. ‘Hij vermaakte zich uitstekend met andere meisjes’ zeg ik over een veertiger die terugblikt op zijn studententijd. ‘Meiden’ staat ernaast. Ai, meiden. Ik weet het: er zijn mensen die het woord meisje alleen nog maar als synoniem van trutje kennen, maar ik zeg nooit meiden. Zal ik het dan toch maar, heel voorzichtig, eens één keertje schrijven? Is nog in beraad. ‘Hij wreef de geest van lavendel vrij tussen zijn handen’. ‘Geur?’ staat er aarzelend in de kantlijn. Ha, een makkie dit keer. Geest en geur komen in dit geval vrijwel overeen, maar mij pakken ze dat veel pittiger, spiritueler woord geest niet af. Dan snapt het jonge publiek, dat de uitgever zo bang is te verliezen, dat maar niet. Het schrijven van de eindversie van een nieuw boek kost wat hoofdbrekens, maar het is mooi werk, mirakels mooi werk. En zo leerzaam.