Zes meiden in een geheimzinnig winkelpand

Lisa Mathijsen woont in De Hugo, het meest bijzondere studentenhuis van Nederland.

Met haar verhaal over de foefies won het huis een jaarabonnement op nrc.next.

Anderhalf jaar geleden betrok ik een kamer in een studentenhuis in de Hugo de Grootstraat in Nijmegen. Ik werd een meisje van ‘De Hugo’. Dit linkse, warme studentenhuis heeft uitsluitend vrouwelijke bewoners gekend. Een traditie die alle bewoonsters door de jaren heen in stand hebben gehouden. Geruchten gaan dat De Hugo in de jaren negentig zelfs alleen door lesbiennes werd bewoond, een gegeven dat mijn vriend nog steeds fascineert.

Niemand weet precies hoelang ons huis, een voormalige winkel, al een studentenhuis is, maar sinds we in onze beruchte kelder (een vochtig hol van twintig vierkante meter, waar alleen huisoudste Janneke zich durft te begeven) typmachines hebben gevonden, weten we in ieder geval zeker dat dit studentenhuis al lang voor het digitale tijdperk bestond.

Waarom dit studentenhuis bijzonder is? Ik ben van mening dat de indeling van een studentenhuis van invloed is op de intensiteit van het contact tussen de bewoners. Vooral de aanwezigheid van een gemeenschappelijke ruimte is bepalend. In mijn vorige studentenhuis ontbrak deze, met als gevolg dat ik mijn huisgenoten zelden tot nooit sprak. In De Hugo is de keuken het centrale punt van het huis. Gek genoeg is de kamer die daarboven zit niet van ons, maar van de buren.

Niemand kan ongemerkt uit het huis glippen zonder door de keuken te gaan. Dat is heel leuk, behalve voor degene die ’s nachts een scharrel heeft meegesmokkeld en ’s ochtends door vijf hysterische kippen met goedbedoeld gekrijs wordt onthaald. Zo heeft er in de periode van de vierdaagse een Zwitserse militair bij ons ‘gelogeerd’ – en dat heeft de ochtendeditie nog gehaald. Sorry daarvoor Vera.

Onze blauw met groene keuken is zeer ruim en in het midden staat een tafel met zes stoelen, waarvan er één tot voor kort kapot was – het zitvlak lag los – maar die desondanks in gebruik bleef. Vooral nietsvermoedende gasten konden dit wat minder waarderen. Op miraculeuze wijze is de stoel ineens gemaakt. De anonieme klusjesman/-vrouw heeft zich tot op heden niet bekend gemaakt.

Persoonlijk verdenk ik ‘de man in de kelder’ van deze vriendelijke daad. Deze man, die ik ‘onze zevende huisgenoot’ noem, hebben wij nog nooit gezien. Alleen wanneer Mek alleen thuis is maakt hij geluid, ze hoort hem dan rommelen in de diepe krochten van ons huis. Desalniettemin, deze naarling maakt ook vaak een bende van de keuken en laat zijn afwas dagenlang staan. Ik ben blij dat hij eindelijk ook eens iets bijdraagt.

Op de tafel ligt een klappertje dat intussen cultureel-historisch erfgoed is geworden. Elke keer wanneer iemand verhuist, wordt zij geacht haar nieuwe adres en het adres van haar ouders in het adressenkatern te noteren. Ondertussen heeft dit adressenboekje de omvang van het telefoonboek gekregen. Ondanks dat het een klappertje is blijft men het steevast ‘het schrift’ noemen. In het schrift uiten wij ons ongenoegen, schrijven wij limericks en delen wij onze vreugde of ellende.

In de aanhef van een mededeling staat vaak het woord ‘foef’ of een declinatie hiervan. Dit woord – door Maartje alias Mek geïntroduceerd – kent een lange geschiedenis waarover ik hier niet zal uitweiden. Het heeft te maken met twee jongens en een hitsig hondje dat haar geslachtsdeel graag aan iedereen toonde, waarop de jongens, iedere keer als ze het hondje zagen, riepen: „Laat je foefie eens zien.” Een ‘foef’ is dus een vagina en tevens een aanspreekvorm. ‘Foefen’ is de liefde bedrijven. Een ‘stomme foef’ is iemand die wij niet mogen en een ‘foefie’ is iemand die we lief vinden. Ik kan je zeggen, ik vind het een verrijking voor mijn vocabulaire.

Maar goed, alle zes kamers komen dus op een of andere manier uit op de keuken. De kamers van Juul en Maartje (De Hugo kent twee Maartjes, dit is de andere) liggen aan de kant van de straat. Vooral Juul heeft het soms zwaar te verduren in het weekeinde, wanneer er gestapt wordt. Als de voordeur dichtslaat, is zij meteen klaarwakker. Net als die keer dat Janneke en voormalig huisgenote Rita met een drankje te veel op luid giechelend om vijf uur ’s ochtends een pan griesmeelpudding stonden te maken.

Over de voordeur gesproken, deze is reusachtig en heeft een zeer groot raam. Vooral ’s avonds kan dit nog best eng zijn en een onverwachte bezoeker die net wil gaan aanbellen wordt dan nogal eens verward met een ‘enge man’. De eerste keer dat Rita’s Congolese vriend Sony voor de deur stond, begon Mek dan ook keihard te gillen. Sony is volgens mij tot op de dag van vandaag nog steeds een beetje bang voor haar.

Verder hebben we natuurlijk ook nog een echte Nijmeegse stadstuin mét bloemen. Hier ligt ook onze Ciske begraven. Een bruin ratje dat in het voorjaar twee weken lang door onze keuken heeft gewaggeld (hij was intussen zo dik geworden dat het woord trippelen hier niet meer aan de orde was) en uiteindelijk heel schattig bleek te zijn. Na lang twijfelen en niet-werkende, diervriendelijke vallen plaatsen, hebben we toch maar besloten een klem te zetten. Twee uur later vonden we hem al. Het was vreselijk. Zijn bruine vachtje glansde prachtig en hij was helemaal niet zo groot als die enge zwarte ratten uit de film. Hij heeft een mooi plekje in onze tuin gekregen.

Op dit moment gaat De Hugo een van haar meest trouwe bewoonsters verliezen. Onze Jan vertrekt na acht jaar. Wij willen haar eigenlijk helemaal niet missen.

Het mooiste van dit studentenhuis vind ik dat het zo hecht is en je jezelf kunt zijn. Je bent niemand iets verplicht. Je kunt leven als een nomade of kluizenaar als je daar zin in hebt, maar als we met zijn allen bij elkaar zijn is het altijd goed. Ben je verdrietig? Dan word je met een dekentje en een kop thee op de bank gezet. Ben je blij? Dan mag je het uitgillen van vreugde. Ben je woedend? Dan mag je ziedend door het huis stampen.

De foefjes van De Hugo zijn net zo vreemd en bijzonder als de indeling van het huis. Daarom verdienen ze een eervolle vermelding.