'Leer mij je liefhebben' van Kristine Groenhart

Waargebeurd is geen excuus, zei Gerard Reve ooit. Dat is allang niet meer het geval: waargebeurd is juist steeds meer een excuus. Sterker nog, sinds de verschijning van Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zacherias (2001) is ‘authenticiteit’ niet meer weg te denken uit de Nederlandse literatuur. En eigenzinnige oma’s zijn dan kennelijk een dankbaar onderwerp. Koelemeijer ging via gesprekken met familieleden op zoek naar de gronden van de zwijgzaamheid van een tuindersoma, in Leer mij je liefhebben (Athenaeum, Polak &Van Gennep, € 18,95) beschrijft Kristine Groenhart het leven van haar domineeoma aan de hand van brieven, dagboeken en documenten. Gek genoeg kreeg het boek niet enorm veel media-aandacht (goed, Andries Knevel noemde het een ‘ontroerend boek’ op de radio), maar er verscheen wel een tweede druk. Bovendien neemt boekenclub ECI het boek op in zijn catalogus, zoals de website van Kristine Groenhart trots meldt, waarop ook familiefoto’s worden getoond, met zo’n muziekje dat je ook op je mobiel hoort wanneer je de instelling nostalgisch indrukt bij het tonen van het fotoalbum.

Waar komt het bereik van deze familiegeschiedenis vandaan? Aan de bekendheid kan het dus niet liggen, aan nostalgie ook niet want niet veel mensen zullen zich herkennen in een domineesvrouw. Het moet het genre zijn: het ‘memoir’, dat dit jaar in de Nederlandse letteren een hoogtepunt bereikte, in elk geval wat de kwantiteit betreft.

Leer mij je liefhebben gaat over ‘het bewogen leven van een domineesvrouw’. Anders dan bijvoorbeeld Witte zuster in donker Afrika van Joke Linders, waarin eveneens zendelingen buitengaats worden beschreven, gaat Leer mij je liefhebben niet zozeer over het zendelingenwerk, maar vooral over het leven van de oma, Johanna Jacoba Liese. Kristine Groenhart vertelt alsof de grootmoeder zelf aan het woord is – geen derde persoon dus, maar alles in de ik-vorm. Dat komt soms wat onbeholpen over. Wanneer een tweede alinea begint met: ‘Ik, Johanna Jaccoba Liese (thuis noemen ze me Zus), word op 18 mei 1913 geboren in Heerlen’, weet je dat dit boek het niet van de stijl moet hebben. Tegelijkertijd heeft die onbeholpen stijl ook wel wat, het benadrukt de onopgepoetstheid. En bovendien: het is geen roman, maar een documentaire. Niet eentje die erop gericht is iets nieuws te vertellen over Nederlands Indië vlak voor W.O. II, het leven in een Japans interneringskamp, de terugkeer tijdens de politionele acties, die overigens kort maar interessant is (‘Ook Wolter [de echtgenoot] blijft geloven in hard optreden en voelt dat de bevolking er ook zo over denkt’), twee ontspoorde hippiezoons of over hoe het geloof houvast kan bieden, maar eigenlijk vooral over hoe iemand knokte voor haar huwelijk. Een huwelijk waarvan je verwacht dat het sterk zal zijn of worden omdat je samen iets nieuws opzet in een omgeving waar cultuurverschillen groot zijn, terwijl het tegendeel gebeurt. In plaats van dat ze nader tot elkaar komen, groeien de echtelieden eigenlijk uit elkaar. Wanneer Johanna voor de tweede keer zwanger is, merkt ze op: ‘Die ene keer? Moet die meteen dit gevolg hebben?’ En ze schrijft zonder scrupules aan haar man dat hij meer zijn best moet doen haar lichamelijk aan haar trekken te laten komen en in een brief (waarin ze haar man ‘mijn jongen’ noemt). Tijdens de liefdesdaad moet ze haar verlangens naar andere mannen onderdrukken.

Het is een voorschot op de vrije huwelijksmoraal van de jaren zestig, die wordt versterkt door het vreemdgaan van de dominee (een minnares gaat mee tijdens een vakantie), en het huwelijk dat op de klippen loopt. Een dominee die vreemdgaat, in een roman is zoiets geforceerd, maar waargebeurd is hier een adequaat excuus.

Toef Jaeger