Keuze tussen meer kandidaten spaart geld

Voor topfuncties moet er niet langer slechts één droomkandidaat zijn. Anders is de strijd tegen topinkomens niet effectief, stelt Jan Bouwens.

In het debat van Jort Kelder en anderen over de Balkenendenorm (Opiniepagina, 8 en 11 augustus) ontbreekt het besef dat weinigen bereid zijn salaris in te leveren als zij van baan veranderen.

In dat verband wil ik u het volgende dilemma voorleggen. Stel we zoeken een nieuwe voorzitter van de raad van bestuur van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam. Er zijn twee kandidaten beschikbaar. De ene is directielid bij het Universitair Medisch Centrum (UMC) in Utrecht en de tweede is thans internist. Het huidige inkomen van de directeur bedraagt 130.000 euro, terwijl de internist 300.000 euro verdient. De eerste vraagt een salaris van 150.000 euro en de tweede is bereid om voor 270.000 euro de taak op zich te nemen.

Bij gelijke kwaliteit van de kandidaten is de keuze duidelijk: we moeten voor het UMC-directielid kiezen. Maar als de internist beter is dan de UMC-kandidaat, is het lastiger. Moeten we dan met de Balkenendenorm in de hand alsnog kiezen voor de UMC-kandidaat?

Als de benoemingscommissie verwacht dat de internist beter is dan de UMC-kandidaat, kan toch niemand hard maken dat de internist zijn salaris meer waard zal zijn.

We zien bij topfuncties dat de benoemingscommissie een ‘droomkandidaat’ selecteert die als enige kandidaat kan vragen wat hij/zij wil. De manier om dit probleem te mitigeren, is zeker te stellen dat een groot aantal kandidaten serieus in de benoemingsprocedure een kans krijgt. Dat betekent dat de benoemingscommissie (gedomineerd door de raad van toezicht binnen de not-for-profit-sector) moet kunnen aantonen dat zij meer dan één kandidaat heeft gesproken.

Deze methode zal er niet toe leiden dat beloningen altijd beneden de Balkenendenorm uitkomen, maar voorziet wel in de concurrentie tussen gelijkwaardige kandidaten. Dit heeft een prijsverlagend effect, omdat sollicitanten weten dat ze niet de enige kandidaat zijn. Daarnaast zou het toezicht op inkomensstijging van overheidsmanagers moeten worden verhoogd.

Wellicht zou een norm hier wel kunnen werken in termen van toegelaten stijging waarbij afwijkingen een uitgebreide en verifieerbare toelichting behoeven (pas toe of leg uit). In zijn laatste rapport adviseert de commissie-Dijkstal aan voor een beperkt aantal sectoren (zoals zorg) een zogeheten beloningscode te ontwikkelen. Men is vaag in de wijze waarop de code moet worden vastgesteld. Het is beter een harde sollicitatieregel in werking te stellen waarvoor geldt: Pas toe en niet pas toe of leg uit.

We kunnen dan ook de tientallen uitzondering die de opeenvolgende commissies-Dijkstal wel moesten maken, vaarwel zeggen. Eén regel werkt beslist beter. Invoering van de regel vergt verhoging van de kwaliteit van de raden van toezicht. Onderzoek van mijn collega Eddy Cardinaels laat zien dat zwakke raden van toezicht te veel salaris betalen aan bestuurders ten opzichte van raden van toezicht van een goede snit.

Concluderend. Een adequaat middel om de inkomensstijgingen in de (semi)overheidsector een halt toe te roepen, bestaat eruit zeker te stellen dat de te benoemen bestuurder wordt vergeleken met een serieus aantal tegenkandidaten. Rigide toepassing van de Balkenendenorm lijkt pennywise, maar is poundfoolish.

Jan Bouwens is hoogleraar accounting aan de Universiteit Tilburg.

Lees Jort Kelder en de reacties op nrc.nl/opinie