Gehaat als zeep

Ter afronding van een zomerserie: volkswoorden voor ‘politieagent ‘, van adje tot juut. Volgende week de rest.

Adje, atje, atji. Voor het eerst opgetekend in 1903. Vooral bekend in Rotterdam.

Adoot, adoteman (1935). Eveneens vooral in Rotterdam.

Beis of bijs. Zeker sinds 1940 in de stad Groningen, waar het nog steeds wordt gebruikt. De overvalwagen van de Groningse politie werd blauwe taxi genoemd.

Bink. Eind jaren dertig gehoord in Den Haag. Rijmpje: „Alle Haagse binken/ stinken naar dooie vinken.”

Blauwe. Vooral bekend in Limburg. In Friesland had of heeft men het over blauwe mannen. Spotrijmpje: „Pliesie, pliesie, blauwe broek/ heeft vannacht in bed gepoept.” De Grote Van Dale kent ook blauwhemd voor ‘politieagent’.

Blauwe mug. Vooral bekend in Friesland (waar men blauwe mig zegt), maar ook gehoord in Groningen.

Blikhoed (1899, Amsterdam). Amsterdamse agenten hadden vroeger een helm met daarop een glimmend gepoetst stadswapen.

Bout (1890, Amsterdam). Verkorting van koperen bout. Agenten hadden vroeger een sabel met daarop een koperen knop of bout, vandaar.

Brigges (1908). Van ‘brigadier’. Behalve voor ‘agent’ in de soldatentaal gebruikt voor ‘brigadier, korporaal’.

Bulle. Gehoord in Sittard.

Dekkel (1893). Aan het begin van de 20ste eeuw nog bekend in Amsterdam.

Dofgajes (1906). Vooral voor ‘rechercheurs’. Die werden ook wel russen genoemd (een verbastering van rechercheur), russies, stille dienders of stillen.

Duivenplat. Gehoord in Amsterdam. Naar de platte politiepet.

Flik of flikker. Waarschijnlijk van het Franse flic. Vooral veel gebruikt in Vlaanderen maar omstreeks 1950 ook gehoord in Bussum.

Glimmerik (1860), glimworm (1905) en glimmend gassie (‘petje’) – naar de glimmende helmen die agenten vroeger droegen. De Grote Van Dale vermeldt ook glimjas voor ‘agent’.

Gluiperd. In 1900 opgetekend door W. van Amsterdam, in diens roman Marionetten: „Juist als de jongen naar de brug rent, komt van den anderen kant de man, dien hij haat als zeep en veracht als zijn moeder haar buurvrouw: de smeris, de gluipert, de stiekemert, de swerrefert, de glimmerik, de bout, de judas, de opvretert.”

Govie of gofie. Nog altijd gangbaar in Maastricht. Een vooroorlogs carnavalsliedje, dat nog vaak wordt gezongen, luidt: „Meer, dao lig k unne govie in ’t water, verzoep ’m mer (moeder, er ligt een agent in het water, verzuip hem maar)”.

Granderik (1840) en grandiger (1897). Aan het begin van deze eeuw nog gehoord in Den Haag (waar men ook wel ganderik zei).

Haan. In 1905 opgetekend in Utrecht.

Helm (1945). Naar de glimmende helmen die agenten droegen.

Hoed (1906). Idem.

Hoek (1906, Rotterdam). Naar de gehoekte strepen op het uniform, die de rang van de agent aangaven.

Juut (1939). Kwam in deze rubriek al ter sprake, met enkele oude, onschuldige spotrijmpjes. Een hardere, hedendaagse variant: „Een echte vent, is geen agent/ Tuut, tuut, kankerjuut!”

Reacties naar sanders@nrc.nl

Zie voor eerdere afleveringen onze website www.nrc.nl/woordhoek