Geef geld, rijken, want wie niets doet is slecht

Concluderen dat de noden van anderen beslist tellen, is niet hetzelfde als dat voelen.

Peter Singer doet een dwingende oproep aan de welvarende wereld.

De ongelovigen van deze wereld hebben ethici om hen te kastijden. Of specifieker: ze hebben Peter Singer. De Australiër, hoogleraar bio-ethiek aan Princeton, schrikt er niet voor terug om levensstijlen te dicteren, getuige boeken als Writings on an Ethical Life (2001) en recentelijk nog The Ethics of what we Eat (2008).

Zijn nieuwste boek, The Life You Can Save, is een dwingende oproep, ja bijna bevel aan het welvarende deel van de wereld om veel substantiëler te geven ter bestrijding van armoede dan nu het geval is. De basisaanname erin is dezelfde als die in Famine, Affluence and Morality, Singers beroemde essay uit 1971. Honger, ziekte en gebrek zijn zaken die wij universeel als slecht ervaren. Om iets wat slecht is niet te bestrijden terwijl dat wel in je vermogen ligt, is slecht. Door te geven aan hulpinstanties, kun je lijden voorkomen. Ergo: het is slecht om niet zoveel mogelijk geld weg te geven aan goede doelen.

Singer bouwt zijn boek op als ware het een mondiale handleiding. In het eerste deel vraagt hij zich af waaróm we meestal niet geven. In het tweede gedeelte probeert hij te berekenen hoeveel het redden van een mensenleven nu eigenlijk kost, en geeft een voorbeeld van relatief makkelijk te bestrijden armoede gerelateerde aandoeningen, die onvoorstelbaar lijden veroorzaken, zoals bijvoorbeeld malaria.

In het derde deel overweegt hij hoeveel we zouden moeten geven, en komt tot een berekening die uitgaat van ongeveer 5 procent van het bruto inkomen, en meer naarmate u rijker bent. Het boek is doorspekt van verhalen van extreme weldoeners, die 50 of zelfs 80 procent van hun inkomen weggeven, en boosdoeners die hun obscene hoeveelheden geld aan huizen, vliegtuigen en boten spenderen.

Dit laatste geeft The Life You Can Save een ouderwets calvinistisch trekje. Voortdurend noemt Singer zaken waar wij best buiten kunnen – coffee-to-go, nieuwe kleren, gebotteld water – en benadrukt dat we de verplichting hebben dit geld beter te besteden. In Singers rigoureuze universum is geen plek voor genot, individuele keuzes, of tradities. Hij gaat zelfs zo ver zich op te winden over kunstaankopen en -sponsoring. Het Metropolitan Museum in New York had niet 45 miljoen dollar aan een Madonna van de Italiaanse meester Duccio mogen besteden, zolang het voor datzelfde bedrag 900.000 staaroperaties kon laten doen op Afrikanen die niets kunnen zien, laat staan een schilderij.

Als er filosofisch populisme bestaat, dan wordt het hier ontegenzeggelijk bedreven. Singer stelt de zaken eenvoudiger voor dan ze zijn. Zo is er volgens hem de morele verplichting iedereen te helpen die niet in zijn eigen behoeften kan voorzien, omdat alle levens gelijk zijn – al wil hij wel toegeven dat de basisbehoeften van een eigen kind voor die van anonieme kinderen gaan. Daarbij komt dat wij debet zijn aan Afrikaans lijden, als gevolg van kolonialisme en uitbuiting door grondstoffen stelende multinationals. De verantwoordelijkheid van Afrikaanse elites en machthebbers komt niet ter sprake, sociaal-culturele factoren die ontwikkeling in de weg staan – cliëntelisme, tribalisme, kortetermijndenken – evenmin.

De zwakte schuilt hem vooral in zijn redenering, dat geld geven aan ontwikkelingsinstanties armoede en lijden verlicht. Singer erkent de gangbare bezwaren tegen hulp zoals bijvoorbeeld verwoord door de ontwikkelingseconoom William Easterly, die in The White Man’s Burden (Boeken, 21.09.07) stelde dat vijftig jaar hulp geen noemenswaardig effect heeft gehad. Maar hij is niet onder de indruk. Als hulp niet heeft geholpen, moeten we béter kiezen hoe we geven en méér geven. Voor Singer blijft als een paal boven water staan, dat meer geld daarvoor de oplossing is, al weten we niet of dat geld ook goed terechtkomt. Onzekerheid maakt onvermijdelijk deel uit van hulp-op-afstand.

Dat noodhulp soms geweld en onnoemelijk lijden juist bevordert en Afrikaanse rebellen weten dat noodhulp pas binnenstroomt na excessief geweld tegen burgers (zoals beschreven in De crisiskaravaan van Linda Polman) of dat ontwikkelingshulp corrumperende effecten heeft op Afrikaanse elites en democratisering (Dead Aid van Dambisa Moyo) komt niet aan de orde. Singer schrijft in dit boek nauwelijks over politiek of economie. Wereldleiders doen hun beloftes niet gestand, consumenten blijven producten gebruiken die onethisch zijn geproduceerd.

Voor de besteding van het geld dat we moeten geven, verlaat Singer zich geheel op Jeffrey Sachs, de wereldberoemde econoom die in de zogeheten Millennium Villages zijn gedetailleerde blauwdrukken in de praktijk brengt om Afrikanen te helpen de Millennium Doelen te halen. Maar de kritiek op Sachs’ topdown-aanpak, die bijvoorbeeld geen ruimte laat voor Afrikaanse inbreng, negeert Singer. Hulp kán een duw in de goede richting geven, en meer geld voor honger- en armoedebestrijding is zeker nodig, maar zou ook nieuwe problemen opleveren. Er is nu eenmaal geen garantie dat meer geld honger of armoede uit de wereld helpt. De koppeling van een ethisch dogma dat opgetrokken is uit staal – we moeten alles doen om armoede te bestrijden – met de weerbarstige praktijk van armoedebestrijding en de prioriteiten van ieder mens afzonderlijk, levert nooit iets sluitends op. Het resultaat kan nooit meer zijn dan een appèl.

Maar dat is misschien precies Singers bedoeling. Hij laat ethisch denken en het gebrek aan dienovereenkomstig handelen zo hard mogelijk botsen, in de hoop dat de afgrond tussen die twee dan tenminste iets kleiner wordt: ‘concluderen dat de noden van anderen net zo tellen als die van onszelf is niet hetzelfde als dat voelen.’ Precies dat is wat hij met dit boek weer bereikt, zoals eerder met zijn beroemde verhandelingen over de bio-industrie.

Kortom The Life You Can Save is een seculiere preek, en als zodanig doet het zijn werk, als vurig pleidooi voor meer compassie, tegen onverschilligheid en een verandering van persoonlijke, politieke en economische prioriteiten. Want over het eerste deel van Singers aanname, dat iedereen ter wereld op dezelfde manier lijdt onder honger, ziekte en gebrek en dat de aanwezigheid daarvan op zo grote schaal in een zo rijke wereld moreel onaanvaardbaar is, daarover is geen discussie mogelijk.

Bekijk de site van Singer op: www.princeton.edu/~psinger

Peter Singer: The Life You Can Save. Acting now to end world poverty. Picador, 195 blz. € 15,95. De Nederlandse vertaling van Lidy Pol verscheen onder de titel Het kan wel! bij De Bezige Bij, 240 blz. € 18,90