Gedwongen tot morele keuzes

De Israëliër Itamar Broderson is een geboren activist. Met name voor de Palestijnse zaak. Dat levert een groot dilemma op als hij straks in het leger moet.

Itamar Broderson (Foto Ilse van Heusden) Heusden, Ilse van

Itamar Broderson (17) woont aan wat nu het Yitzhak Rabinplein heet, in het centrum van Tel Aviv. Op dat plein begon het voor hem allemaal, op 4 november 1995. Hij was drie en zat bij zijn moeder op de arm tijdens een grote vredesdemonstratie, toen op tientallen meters afstand premier Yitzhak Rabin werd doodgeschoten.

Drie jaar en getuige van een moord. Itamar herinnert zich er weinig van, behalve hoe „depressief alles om me heen was”. Vanaf die tijd, zegt hij, werd hem duidelijk dat de politiek en het activisme zijn toekomst waren. Dus stond hij als achtjarige te flyeren voor een Palestijnse staat en staat hij nu vooraan bij iedere demonstratie. Het regelen, het netwerken, de spanning, dat vindt hij het mooist. Alles wat je nodig hebt, zijn een mobiele telefoon en een laptop om zijn 834 Facebook-vrienden op te trommelen.

Vlak voor de Olympische Spelen in Peking organiseerde hij een demonstratie voor de mensenrechten in China voor de ingang van de Chinese ambassade. Hij had de pers opgetrommeld. Kranten, televisie, alles was er. Stonden ze daar, met een mannetje of zestig. „Ik schaamde me gewoon. Ik kende alle demonstranten, dat was al een slecht teken.”

Alles is snel aan Itamar Broderson. Zijn manier van lopen, zijn spreektempo, zijn leven. Hij is nog geen achttien, maar nu al tweedejaars student politieke filosofie aan de Universiteit van Tel Aviv. Marx lezen ze daar, en Marcuse. „Ze zijn er erg links.” Na een korte pauze: „Maar vooral postmodern.” Hij loopt stage bij de fractie van de linkse partij Meretz in de Knesset, het parlement. Voor die partij was hij vorig jaar voorzitter van de jongerenafdeling. Hij wil het parlement in, of als fractiemedewerker wetsvoorstellen schrijven. „Dan heb je de meeste invloed.”

Een postzionist, noemt hij zichzelf. Opgegroeid in een seculier, links, activistisch gezin. Zijn Braziliaanse moeder werkte voor de huidige president Lula, toen nog vakbondsleider. De idee van Israël als Joodse staat noemt hij „achterhaald”. „Het is een ondemocratisch principe, want er wonen ook niet-Joden in Israël. Mensen zeggen dat het voortbestaan van Israël op het spel staat, dat we van alle kanten bedreigd worden. Dan zeg ik: de mensen in Gaza, die worden pas bedreigd.”

Zoals de meeste leeftijdgenoten heeft Itamar wel een tweede paspoort, in zijn geval Braziliaans. „Vrienden zien het als levensverzekering. Mocht het hier eens goed mis gaan, dan ben ik weg. Ik maak me geen zorgen. Maar soms denk ik wel: ik zit veilig, het voelt als een extraatje op de bank.”

Itamar, een tenger gebouwde jongen met kort haar en grote ogen, drinkt koffie in een café dichtbij zijn huis. Soms, zegt hij, vraagt hij zich wel eens af waar hij het voor doet. Het is toch trekken aan een dood paard. Meretz, zijn partij, is van binnen uitgehold, zegt hij. De partij heeft nog maar drie zetels in de Knesset. Op partijbijeenkomsten ziet hij steeds dezelfde oude mannen.

De ‘Tel Avivi’s’ om ons heen op het terras – jong, welgesteld en links – zijn weggelopen naar Tzipi Livni’s Kadima. Als ze al stemmen. Itamars vrienden zijn steeds minder in politiek geïnteresseerd. „Drie jaar geleden trommelde ik met gemak duizend mensen op voor een demonstratie”, zegt hij. Dan klinkt zijn stem opeens bitter. „Nu zijn het tien mensen. Hoeveel oproepen ik ook plaats op internet, ze komen niet.”

De laatste verkiezingen hebben Itamars politieke ambities bijna helemaal geknakt. Hij foetert: „Een waardeloze campagne voerden we. Waardeloos! De oorlog in Gaza brak uit en wij waren in paniek. Eerst steunden we de oorlog, toen zeiden we: nou, het duurt nu wel heel erg lang. Het was het morele failliet van Meretz. Wij zijn de partij van Oslo, van vrede, en we stonden te stuntelen als amateurs.” Itamar was vanaf het begin tegen de oorlog. „Een leger dient alleen om je te verdedigen.”

Over een half jaar wordt hij achttien en moet hij drie jaar het leger in. Het leidt tot grote morele dilemma’s voor Itamar, al is dienst weigeren er voor hem niet bij. „Of ik wil of niet: de wet zegt dat ik in dienst moet. Als ik het daar niet mee eens ben, moet ik zorgen dat de wet verandert.”

Wat als Itamar een checkpoint op de bezette Westelijke Jordaanoever moet bemannen? „Nooit van mijn leven”, zegt hij resoluut. „Ik wil niet meewerken aan de illegale bezetting van Palestijns gebied.” Tegelijk, zegt hij, is het dragen van een uniform óók immoreel. „Dan draag ik publiekelijk uit dat ik de politiek van dat leger steun. Daar heb ik het moeilijk mee.” Maar dienstplicht heeft ook zijn voordelen. „Kijk naar jonge Amerikanen. Die zijn niet in dienst geweest en hebben vaak iets heel kinderlijks over zich.”

Itamar heeft uitstel gekregen van militaire dienst tot 2011. Hij heeft een beurs om politicologie te gaan studeren in Londen. „Ze willen dat ik piloot word. Maar ik wil geen marionet in de lucht zijn.”

Zelf hoopt hij dat hij bij de inlichtingendienst van het leger mag werken. Hij spreekt vloeiend Arabisch, en dat verhoogt zijn kansen. Aan de andere kant: wat als het leger acties uitvoert op basis van informatie die jíj hebt verzameld? Ben je dan niet even immoreel bezig? Hij kijkt nadenkend voor zich uit. Dit, zegt hij, is de essentie van jong zijn in Israël. „Je moet morele keuzes maken die leeftijdgenoten in andere landen niet hoeven te nemen.”

Eerdere delen via aanklikbare kaart op nrc.nl/eigenleven