Een wolkje aan zee

Ook aan het strand bij Bergen was het zo bedwelmend warm geworden, dat twee oudere echtparen besloten hun smeulende lichamen in de strandtent in veiligheid te brengen.

Mooi weer is fijn, maar Onze Lieve Heer moet het niet overdrijven. Gelukkig is er tegenwoordig altijd en overal de witte wijn om de afkoeling te versnellen.

„Het leuke van goede vriendschap”, riep een van de mannen vanachter de koeler met Chardonnay, „is dat je elkaar blijft vertrouwen ook als je elkaar lang niet meer hebt gezien.”

Zijn vrouw naast hem knikte. „Ik vind het goed dat we nu weten wat er met Sandra aan de hand is.”

Sandra was de enige dochter van het andere echtpaar, begreep ik. Het ging allesbehalve goed met Sandra. Haar man had haar en haar jonge kinderen in de steek gelaten. Dit harde nieuws was kennelijk al op het strand overgebracht, we kwamen nu in de fase van de nadere bijzonderheden.

„Hoe is San er onder?” vroeg de vrouw van het pas ingelichte echtpaar.

„Kapot”, zei de andere vrouw. „Het is zó’n drama. Hij heeft er een enorme rotzooi van gemaakt. En ze had het niet zien aankomen. Ze heeft tegen hem gezegd: ‘Jas aan, eruit, en je komt er nooit meer in’. Ze heeft de rotste verjaardag van haar leven achter de rug. Hij had beloofd te zullen komen, ook voor de kinderen, maar hij kwam niet. Terwijl hij altijd zei dat hij zo dol was op z’n kinderen. Toen de eerste werd geboren, zei hij: ‘Ik zal nooit meer zó van een kind houden’.”

De man van het andere echtpaar zuchtte. Hij maakte een wat wereldser – cynischer, zou je ook kunnen zeggen – indruk dan de anderen. Hij leek me iemand met een beroep dat hem dagelijks in contact bracht met de harde kanten van de mensheid. „Om eerlijk te zijn, ik vond Sandra een lieve meid, maar ik heb me wel altijd afgevraagd of het matchte tussen die twee.”

„Hoe bedoel je dat?” vroeg de moeder van Sandra meteen.

„Nou, Peter is natuurlijk een mooie jongen, flamboyant type…”

„Je zou hem nu moeten zien! Hij ziet eruit als een lijk.”

„Ja, hij heeft natuurlijk ook zijn zorgen.”

Er dreigde een onaangenaam wolkje naar de tafel te drijven, de blauwe hemel en de grote oude vriendschap ten spijt.

Sandra’s moeder zei bitter: „Tegen de kinderen heeft hij gezegd: ‘Ik hou niet meer van mama’. Had hij dat nou moeten zeggen?”

„Weten jullie eigenlijk hoe het kómt”, vroeg de vrouw van de cynicus.

Ze zei het zo warm en inlevend mogelijk, alsof ze haar man wilde corrigeren. Die trok zich daar weinig van aan en riep: „Hormonen!”

Er kwam geen rechtstreeks antwoord.

De moeder van Sandra zei alleen: „Ze wil zijn vriendin niet zien. Nooit niet. Als je normaal uit elkaar gaat, moet dat kunnen, maar in haar geval is dat ondenkbaar.”

„Wil ze een nieuwe vriend?” vroeg de cynicus.

„Voorlopig niet.”

„Maar de klok tikt door.”

De vrouw negeerde ook deze wijsheid en zei: „Ik heb tegen haar gezegd: ‘Wat je ook doet, ik zal er altijd voor je zijn’.” Haar man knikte, hij zei verder niets.

De cynicus keek naar zijn vrouw en zei: „Wij zijn ervaringsdeskundigen. Brigit is al aan haar derde bezig.”

De zon bleef schijnen en ze namen nog een wijntje.