Dankbaar hert

‘Er is genoeg ruimte voor alle creaties van God – naast de aardappelpuree’. Gehoord van een Amerikaanse liefhebber van de jacht. Jagen is namelijk een ernstige bezigheid in de Verenigde Staten, en dan ga je niet lopen zaniken.

Het schieten van wild door een man is hier net zoiets als zindelijk worden: je moet erdoorheen, daarna gaat het allemaal vanzelf. Nu ben ik nog geen mens tegengekomen die het leuk vindt om een hert te villen, maar „a man’s got to do, what a man’s got to do”. En dus vilt iedere vent ten minste één keer in z’n leven een hert. Het gewei boven elke deur houdt de initiatierite levend.

Dick Tesar wil weten of ik wel eens een hert heb gevild. Want Dick is er een van de oude stempel. Een ‘rendezvous-freak’ zoals hij zichzelf noemt. Dat is hier in Prairie du Chien, een Mississippi-stadje in Wisconsin, iemand die bij voorkeur rondloopt in kleren uit de tijd van achttiende-eeuwse pelshandelaren uit Frans-Canada – de jongens die hier voor de Amerikaanse expansie de dienst uitmaakten. Dick draagt kleren van zelf geschoten, zelf gevild en zelf gelooid hert. „Jech!”, walgt mevrouw Tesar vanuit haar Recliner-stoel. „Die stank! Kwam zo door de vloer omhoog zetten.”

Maar ook al kan ik mijn plas best ophouden, het antwoord is nee. Dick kan het bijna niet geloven. „Ik heb ook nog nooit een vis gevangen”, maak ik het alleen maar erger. Waarop Dick meteen de kelder in duikt om terug te keren met zes geweren. Hij wil mij alle ins en outs van een echte achttiende-eeuwse trapper laten zien. Hier doe je het buskruit, daar haal je de trekker over. Mevrouw Tesar, „zeg maar Tracy”, schuift gezellig de tortillachips door. Als ik nou wat langer zou blijven, bedenkt Dick hartelijk, konden we samen jagen, villen en looien! Maar ik kan niet langer blijven, want ik ben onderweg in de eenentwintigste eeuw. A man’s got to do, what a man’s got to do.