Aanpak topinkomens in strijd met het recht

Het kabinet frustreert met het beloningsbeleid de concurrentiepositie tussen bedrijven, betogenJaap van Slooten en Christof Swaak.

Het kabinet maakt veel werk van de beteugeling van topinkomens. Er klinken weinig tegengeluiden. Toch is daar aanleiding toe nu de maatregelen in een aantal gevallen knagen aan de juridische pijlers van onze samenleving.

Het kabinet hanteert verschillende methodes om de topinkomens aan te pakken. Als de overheid zelf werkgever is, is het eenvoudig om de Balkenendenorm toe te passen. Daar waar de overheid meer op afstand staat, maar het toch semipubliek terrein betreft, moet zij anders te werk gaan. De keuze is: óf loonafspraken worden rechtstreeks verboden óf het wordt aan de sectoren zelf overgelaten, eventueel met een stok achter de deur.

Het kabinet kiest voor de laatste methode: er is geen wet op het maximumloon aangekondigd. Sectoren dienen codes op te stellen of ondernemingen worden door contractuele afspraken gedwongen het loon te beperken. Deze methoden lijken misschien minder dirigistisch dan een maximumloonwet, maar juridisch is juist dit soort maatregelen zeer twijfelachtig.

Zie de vrije mededinging tussen ondernemingen. Nederland is een diensteneconomie en in zo’n economie gaat het om de mensen. Het binnenhalen of behouden van die mensen (met name aan de top) kan het verschil maken tussen winst en verlies. Ook buiten de bankierswereld zijn arbeidsvoorwaarden een belangrijk middel om die concurrentie om talent aan te gaan. Als ondernemingen onder druk van de politiek de hoogte van salarissen en bonussen trachten te beperken, kan dat de onderlinge concurrentie om talent merkbaar beperken. Zo’n beperking staat op gespannen voet met de Mededingingswet.

Dat dit probleem niet alleen bij de hoge bazen speelt, blijkt uit de klacht die de Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers onlangs heeft ingediend bij de NMa. De aanleiding was dat ziekenhuizen in Noord-Brabant en Zeeland afspraken zouden hebben gemaakt over de beloning voor anesthesiepersoneel om concurrentie op arbeidsvoorwaarden en derhalve ‘prijsopdrijving’ te voorkomen. Natuurlijk is concurrentie op arbeidsvoorwaarden ook in het belang van de werknemers. Het arbeidsrecht stelt dan ook grenzen aan de strijd tegen topinkomens. Nederland is partij bij diverse internationale verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie. In die verdragen is het recht op collectief onderhandelen gewaarborgd. Doel is dat werknemers niet beperkt worden in hun mogelijkheid om een marktconform loon af te dwingen. Vakbonden halen deze verdragen er direct bij wanneer de overheid de inhoud van cao’s aan banden dreigt te leggen.

Maar de verdragen beschermen niet alleen cao’s. Zodra bankiers, omroepmedewerkers of verpleegkundigen zich hebben verenigd om te onderhandelen over hun inkomen, komt de onderhandelingsvrijheid aan de orde. Hoger personeel is traditiegetrouw geen lid van een vakbond. Maar vroeg of laat zullen verenigingen of ondernemingsraden zich melden die menen dat bepaalde afspraken in strijd zijn met deze verdragen. Omroepmedewerkers hoeven niet te accepteren dat zij niet meer kunnen verdienen dan premier Balkenende (CDA). Wij spreken geen oordeel uit over de noodzaak en effectiviteit van de maatregelen om topinkomens te beteugelen. Maar de overheid moet wel de juridische grenzen respecteren.

Jaap van Slooten en Christof Swaak zijn beiden advocaat arbeids- en mededingingsrecht bij Stibbe te Amsterdam.