Vlamingen zien weer hoe zakelijk hun buren zijn

De ruzie over de Westerschelde bevestigt voor Vlamingen het historisch gegroeide beeld van de „harde” Nederlander. Of bewijst het dat Vlamingen gewoon te goedgelovig zijn?

Michel Van Remoortele had, zegt hij, nooit begrepen waarom Nederlanders elkaar moppen vertellen over domme Belgen. „Nu wel.” In zijn Volkswagen Golf rijdt hij door de Antwerpse haven, waar hij als vertegenwoordiger van de liberale vakbond controleert of bedrijven zich aan de regels houden. Er staan weinig containers op de kade, havenarbeiders zie je bijna niet – door de economische crisis, en volgens de Vlaamse regering ook door Nederland dat nog steeds niet is begonnen aan de verdieping van de Westerschelde. Grote zeeschepen kunnen de Antwerpse haven nu niet bereiken. „We hebben ons laten paaien door de beloftes van de Nederlanders”, zegt Van Remoortele. Dat is dom, vindt hij. „We zijn te goedgelovig. Nederlanders zijn harder dan wij. Gehaaider. Of beter: zakelijker.”

De Antwerpse havenwethouder Marc Van Peel heeft vrienden die zeggen: „Ziet ge, Hollanders zijn niet te vertrouwen. Uiteindelijk telt alleen hun eigen belang.” Van Peel zelf zegt dat niet. Twaalf jaar geleden, toen hij nog voorzitter was van de Vlaamse christen-democraten, zei hij in een interview dat een Antwerpenaar liever met twee Marokkanen op een onbewoond eiland zit dan met twee Nederlanders – om duidelijk te maken dat niet alle inwoners van zijn stad het extreem-rechtse Vlaams Blok steunden. Nog elk jaar biedt hij er op Koninginnedag, op de receptie van de Nederlandse consul-generaal, zijn excuus voor aan. Als grap, zegt hij. Maar een ‘nieuwe Marokkanenrel’ met de Nederlanders wil hij niet.

Nederland had, volgens een verdrag uit 2005, dit jaar klaar moeten zijn met de verdieping van de Westerschelde. Maar in het voorjaar veranderde de regering een onderdeel uit het verdrag – de Hertogin Hedwigepolder in Zeeland wordt niet onder water gezet – waardoor de Raad van State vindt dat het milieu te weinig wordt beschermd. De verdieping mag voorlopig niet doorgaan.

De Vlaamse regering is kwaad, Antwerpse liberalen roepen op tot een boycot van Zeeuwse mosselen en oesters, er wordt gedreigd met de invoering van een wegenvignet. Nederland, vinden ze, denkt alleen aan zichzelf: schepen die niet naar Antwerpen kunnen varen, gaan naar Rotterdam. Havenwethouder Van Peel zegt het zo: „Het bestaan van de Rotterdamse haven zal aan de beslissing van Nederland niet vreemd zijn geweest.”

Het is een rel die doet denken aan de splitsing van Fortis, vorig jaar. Nederland, zei minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) later, had het ‘gezonde’ deel van de bank overgenomen. België was geschokt door de arrogantie van Nederland, en kwaad op zichzelf: kennelijk waren de Nederlanders slimmer en gehaaider geweest. „De Vlamingen voelen zich gerold”, zegt Luc Devoldere, hoofdredacteur van het Vlaams-Nederlandse tijdschrift Ons Erfdeel. Vorig jaar en nu weer. „Dat nemen ze niet altijd.”

Vanuit het stadhuis kijkt wethouder Van Peel uit op de Grote Markt van Antwerpen. Toeristen – de meesten uit Nederland – laten zich fotograferen met het standbeeld van de Romeinse held Silvius Brabo. Volgens een legende hakte hij de hand af van de reus die schepen tegenhield op de Schelde. En wie de Schelde afsluit, maakt Antwerpen kapot. „Ga daar maar eens kijken”, zegt Van Peel. „Dan snap je waarom het dossier ons zo raakt. De Schelde zit in ons collectieve geheugen.”

Bij die Schelde gaat het ook steeds over de relatie met Nederland. Vlamingen uit de politiek, het bestuur of het bedrijfsleven dreunen de feiten zo op: de afsluiting van de Schelde in de zestiende en zeventiende eeuw waardoor Antwerpen zijn rijkdom verloor. Het verdrag met Nederland na de afscheiding van België, in 1830, waarin het vrije scheepvaartverkeer was geregeld. De poging van België om na de Eerste Wereldoorlog Zeeuws-Vlaanderen te annexeren, omdat België bij de overwinnaars hoorde. De beloftes van Wim Kok in de jaren negentig over de verdieping. En later die van Balkenende, zoals gisteren weer.

Maar denk niet dat Vlamingen zomaar een hekel hebben aan, zoals zij het zien, de hebberige en hanige Hollanders. Vooral in Antwerpen, zegt Eddy Bruyninckx, directeur van het Havenbedrijf, is de verhouding met Nederland gecompliceerd. „Er zijn mixed feelings over de afscheiding. We hebben spijt, samen waren we tot grootsere dingen in staat geweest. Maar er is latent ook het gevoel dat het genoeg is geweest met de Antwerpen overspoelende wildplassers, de sleurhutten en vrachtwagens op de ring. Het is Freudiaans worstelen met het verleden.”

Als je er in de binnenstad van Antwerpen naar vraagt, hoor je vooral dat Nederlanders ‘losser’ en ‘opener’ zijn dan Vlamingen. Zelfverzekerder ook, ‘socialer’. „Ze lachen meer, ze hebben mooie tanden”, zegt de eigenares van ’t Teekafé in de Jezusstraat. „De platten en luidruchtigen komen niet bij mij.”

Ludo Van Campenhout, lid van het federale parlement voor de liberale Open Vld en wethouder in Antwerpen, was afgelopen woensdag bij de VVD-afdeling in Bergen op Zoom om over de Westerschelde te praten – Van Campenhout leidt de actie tegen Zeeuwse oesters en mosselen. „Eerst dronken we water. Een Nederlander bestelde een pilsje en toen dacht ik: dan kan ik het ook wel doen.” De VVD beloofde in de Tweede Kamer een noodwet in te dienen waardoor de verdieping van de Westerschelde toch snel zou kunnen beginnen.

Met zijn VVD-collega’s had Van Campenhout het ook nog over de bescheidenheid van de Vlamingen, en hun minderwaardigheidscomplex. „Nederlanders hebben meer een staatsgevoel, wij zijn bijna altijd bezet geweest.” Dat in Nederland lacherig wordt gedaan over zijn actie tegen mosselen, waar de Vlamingen zelf zo dol op zijn, maakt Van Campenhout niet uit. Er is opeens aandacht voor de Westerschelde. Er zijn veel Nederlanders, merkt hij, die vinden dat de Vlamingen gelijk hebben. Het calvinistische Nederland zal beseffen dat het zijn afspraken moet nakomen.

Of is dat toch weer te goedgelovig?

In Het Kot, in de Antwerpse haven, bieden honderden havenarbeiders zich een paar keer per dag aan voor werk. De chefs staan op een verhoging, de vorkheftruckchauffeurs en de arbeiders die ladingen vastmaken, staan in hokken, de andere dokwerkers lopen rond in een grote ruimte – totdat de bel klinkt en de chefs arbeiders uitkiezen.

Bij de uitgang staat een man die alleen zijn voornaam wil zeggen: Patrick. Hij werkt sinds 1992 in de haven en nog nooit was er zo weinig werk als nu. Hij kijkt kwaad als het over Nederland gaat. Het is „heel lelijk” dat Nederland de Westerschelde niet uitbaggert. In de haven praten ze erover. Er dreigen „lelijke acties”. „We worden niet snel boos, maar als we boos worden, zijn we rare mensen.”

Bij de Antwerpse Kamer van Koophandel geldt ondervoorzitter Walter Van Pottelberge als specialist in de omgang met Nederlanders. Hij werkte bij Nationale Nederlanden (later ING), hij is getrouwd met een Nederlandse vrouw en woont in Brasschaat. „De Nederlander”, zegt hij, „heeft de neiging om te vechten voor zijn voordeel. Rechtstreeks of onrechtstreeks. Bij de verdieping van de Westerschelde denkt hij: als het moet, moet het. We gaan ons niet haasten.”

De Vlaming, zegt Van Pottelberge ook, laat zich op zijn kop zitten. Maar niet eindeloos. „Ik kan u zeggen dat het verzadigingspunt is bereikt.” Dat de Vlaamse premier vorige week de Nederlandse ambassadeur bij zich riep vanwege de Westerschelde laat een nieuw Vlaams zelfvertrouwen zien – door de economische groei sinds halverwege de jaren tachtig en de extra bevoegdheden voor Vlaanderen. Maar de Vlaming is onzeker geworden door de economische crisis en Nederland is een duidelijke vijand. Van Pottelberge: „Als men weigert om een noodwet te maken voor de Westerschelde, zullen de verhoudingen verzuren. Men roept om belasting op wegtransport, men zal Nederland onder druk zetten in Brussel. De Benelux, een pijler onder de Europese eenwording, zal ontploffen als een granaat in uw hand.”