Tangen met een tang maken

Wat maakt de mens uniek? In de zomer van het Darwinjaar zoekt de redactie wetenschap naar antwoorden. Deze week: gebruik van werktuigen.

In Amsterdam-Oost drijven twee broers een winkel voor ‘sleutel- en slotentechniek’. Als ze in hun grijze schorten achter de slijpapparaten staan, lijken ze soms sprekend op Ed en Willem Bever. Dan hoor je in gedachten meneer De Uil, die voorleest uit de Fabeltjeskrant. Over die twee beverbroers natuurlijk, die met hun uitpuilende gereedschapskist fluitend klusjes in het dierenbos opknappen.

Echte bevers hebben geen manometers, nijptangen en waterpomptangen. Echte bevers bouwen burchten en dammen met niets anders dan tanden, poten en een staart.

Andere dieren kwamen wél op het idee om gereedschappen te gebruiken. Woordeloos, en zonder inbreng van mensen, zagen ze hoe je takjes, stenen of ijzerdraadjes handig kan benutten.

In Ivoorkust in West-Afrika kraken chimpansees op één dag wel honderd keiharde noten, met een tien kilo zware steen als hamer en een nog zwaardere steen als aambeeld. In andere Afrikaanse wouden jagen chimpansees met aangescherpte takken op kleine halfaapjes of hengelen ze met lange takken naar termieten.

De wipsnavelkraaien in Nieuw-Caledonië verbuigen takjes en stokjes tot haakjes en lusjes om insecten mee te vangen. Sommige kraaien gebruiken wel drie stokjes in serie, of slepen de hele dag hun lievelingsstokje met zich mee. En in het laboratorium maakten wipsnavelkraaien dezelfde haakjes van eindjes ijzerdraad: ze visten er stukjes vlees mee uit een emmer.

In een ander lab gooiden roeken net zo lang stenen in buisjes water tot dat water hoog genoeg stond om er met hun snavel een worm uit te halen.

Ook ingenieus: tuimelaars voor de kust van Australië beschermen hun neus met een bekervormige spons, voordat ze ermee in de zeebodem gaan wroeten om prooivissen op te jagen.

Dat zulke dieren eerst voor een spons (of stok) zorgen en dan pas op jacht gaan, klinkt bijna alsof ze plannen maken. En inderdaad, in een Zweedse dierentuin is een chimpansee gesignaleerd, die ’s morgens vroeg het voorraadje stenen klaarlegt waarmee hij later op de dag bezoekers bekogelt.

Toch is het vergeleken bij alle gereedschappen die mensen verzonnen en gemaakt hebben, maar een armzalig repertoire. Mensen ontdekten vuur en konden daardoor, zo beschreef in de jaren negentig de socioloog Johan Goudsblom, grote potten bakken om voorraden in te bewaren, en ijzer smelten tot hamers en sikkels en geweren.

Mensen, zo denken hedendaagse biologen, zijn ook de enigen die gereedschappen gebruiken om er nieuwe gereedschappen en instrumenten mee te maken.

Als de Zweedse chimpansee niet zijn handen had gebruikt om losse stenen uit de muur van zijn hok te trekken, maar een andere steen, dan zou hij daar een beetje in de buurt gekomen zijn. En toch zou dat nog zó primitief zijn vergeleken bij de kunsten van mensen die, noem maar wat, met tangetjes en schroevendraaiers horloges in elkaar sleutelden en sterrenkijkers. En die in hightech-laboratoria uit verfijnde bewerkte siliciumplakjes de meest ingewikkelde rekenmachines bouwen om daarna met die computers nóg verfijndere en nóg sneller werkende siliciumplakjes te ontwerpen.

Sommige computerexperts zijn bang dat ooit de geest uit de fles zal raken en dat razend slimme computers zelf, zonder inbreng van mensen, gereedschappen zullen bedenken. De meesten houden het erop dat het zo’n vaart niet zal lopen - en er altijd een kloof tussen mens en computer zal blijven. Zoals tussen mens en dier, want dieren hebben hooguit een teen gestoken in de gereedschapskist.

Alleen als chimpansees jarenlang tussen mensen en hun gereedschap leven, worden ze iets handiger. Dan snappen ze dat een hark met stalen tanden beter werkt dan eentje van slap rubber, zo lieten Amerikaanse biologen nog niet zo lang geleden zien.

Er was bij die onderzoekschimpansees trouwens ook een exemplaar dat de harken gewoon sloopte. Maar ja, dát kennen we van mensen ook.