Nog even en het bloed begint te vloeien

Het is de vraag of de vele sympathisanten van Wilders de gevaren van de verdeeldheid van de samenleving onder ogen zien. Als mensen zich verstoten voelen, gedragen ze zich vijandig, betoogt Ian Buruma.

Erasmus en Tarig Ramadan. Nog even en het bloed begint te vloeien. Illustratie Hajo Hajo

Gewoonlijk ligt het percentage mensen dat uit protest of overtuiging stemt op radicaal-rechtse partijen in West-Europese landen omstreeks de 15 procent. En 20 procent is al hoog. In Nederland is volgens peilingen 40 procent het eens met de ideeën van Geert Wilders. ‘Het eens zijn’ wil niet meteen zeggen dat mensen ook op hem zullen stemmen. Maar het is in ieder geval een serieus fenomeen.

Een heldere verklaring werd op 4 augustus in deze krant gegeven door Moritz Bilagher, een ‘statistisch adviseur’. Het zou liggen aan „het gedrag van veel jongens, veelal van Marokkaanse afkomst, in de openbare ruimte”. Kut-Marokkanen, kortom.

Dit lijkt mij te simpel. Het verklaart bijvoorbeeld niet waarom in andere Europese landen radicale populisten ook abnormaal hoog scoren. Misschien hebben Engelsen, Zwitsers, Denen en Oostenrijkers ook last van hun versie van de kut-Marokkanen, maar het is opvallend hoeveel mensen die zeggen bang te zijn voor niet-westerse immigranten in plaatsen wonen waar immigranten juist nogal zeldzaam zijn – Volendam bijvoorbeeld.

Rancune is meestal de bron van populisme: rancune tegen politieke en culturele elites die verantwoordelijk zouden zijn voor verloedering, decadentie, overspoeling door volksvreemde elementen, en verraad aan de gewone man. Dit is eerder voorgekomen. Ik denk dat het huidige onbehagen in brede kringen te maken heeft met de gevolgen van globalisering, de slecht begrepen, maar daarom niet denkbeeldige macht van multinationals en politieke instellingen, en de schijnbare onmacht van nationale regeringen, die, zo lijkt het, eerder geneigd zijn hun eigen belangen te verdedigen dan die van kiezers, en dan vooral de kiezers die zich achtergesteld voelen in een tijd van razendsnelle verandering.

Die verandering komt harder aan in armere volkswijken dan in Wassenaar, Aerdenhout, of zelfs op de Keizersgracht. PVV-stemmers in Almere of Purmerend stammen vaak uit die armere volkswijken.

Politici zoals Wilders maken van dit algemene onbehagen handig gebruik. Zij doen dit door de problemen van straatgeweld, moslimextremisme, of ondemocratische multinationale instellingen te binden aan de altijd sluimerende rancune tegen ‘culturele elites’, de ‘linkse kerk’, de ‘NRC-kliek’, of hoe men de vermeende boosdoeners ook wil noemen.

Die elite wordt nu ook door sommige Amerikanen verweten dat zij de westerse weerbaarheid zodanig heeft ondermijnd dat Europa spoedig zal worden ‘geïslamiseerd’; Europa wordt ‘Eurabië’. De Amerikaanse journalist Christopher Caldwell concludeert in zijn recente boek Reflections on the Revolution in Europe dat Europese culturen nu te slap zijn om weerstand te bieden aan de veel krachtiger islamitische cultuur (wat dat ook moge zijn).

Bovendien zouden moslims, doordat zij meer kinderen krijgen dan niet-moslims, snel een meerderheid gaan vormen.

Aangezien moslims ongeveer 5 procent van de Europese bevolking uitmaken, lijkt dit wat kras. Welvarende moslims krijgen helemaal niet meer zoveel kinderen, dus de armeren moeten wel heel hard werken om deze demografische wedloop te winnen. Verder is een groot aantal moslims niet praktiserend religieus. Het verband tussen de islam en het straatgeweld van Marokkaanse jongeren in de Amsterdamse wijk Slotervaart of Rotterdam-West is meestal ver te zoeken.

Het alarmerende beeld van Eurabië dat Wilders en andere geestverwanten hun kiezersvolk voorspiegelen berust vaak op een categorische verwarring. Een artikel in een Amerikaanse publicatie over de ‘islamisering’ van Nederland omschreef het misdadige gedrag van allochtone straatjongens in Amsterdam als ‘oorlog tegen het Westen’, alsof relletjes op het August Allebéplein deel zouden uitmaken van een jihad. Ook wordt religieuze orthodoxie, of neo-orthodoxie, vaak op één lijn gesteld met ideologisch extremisme, alsof elke bebaarde wahabiet, of iedere gesluierde vrouw, een potentiële sluipmoordenaar is.

Natuurlijk is de link tussen islam en geweld niet altijd denkbeeldig. Mensen worden vermoord in naam van de jihad. Sommige neo-orthodoxe moslims worden voor de Heilige Oorlog gerekruteerd. Dat er sympathie voor de sacrale krijgers bestaat, vooral onder jongere Europese moslims, is zeker zorgelijk. En de gewelddadige bedreiging van critici van de islam, onder wie Wilders zelf, is een wezenlijk probleem waar de overheid hard tegen moet optreden. Toch blijft het nodig om een onderscheid te maken tussen gelovigheid en revolutie, tussen orthodoxie en geweld.

In de uitlatingen van Wilders wordt geen ruimte gelaten voor dit onderscheid. Hij is voorzichtig genoeg om dit niet in zoveel woorden te zeggen, maar de logische conclusie is dat alles wat met de islam te maken heeft als een soort kankergezwel uit de Europese samenleving moet worden verwijderd.

Angst voor het overspoeld worden door vreemden wordt meestal geassocieerd met rechts. Historisch klopt dit ook wel. De zogenaamde redders van onze beschaving tegen bolsjewieken, joden, of decadente elites kwamen veelal uit rechtse kringen. De vermeende dreiging van de islam heeft hier verandering in gebracht. Hoewel zij zichzelf meestal te chic vinden om zich direct met Wilders te associëren, zijn het vaak mensen met een linkse achtergrond die het hardst tegen de islam van leer trekken.

Een zekere allergie voor godsdienst bij lieden die zich daarvan sinds de jaren zestig hebben vrijgevochten, is begrijpelijk. En de manier waarop mannen uit families die in diezelfde jaren zestig naar Europa zijn gekomen uit Turkse of Marokkaanse dorpen, omgaan met vrouwen of denken over homo’s, strookt vaak niet met de meer progressieve ideeën die wij nu als normaal beschouwen.

Maar, alweer, intolerantie jegens homo’s, hoewel op zichzelf laakbaar, is niet hetzelfde als revolutionair extremisme. Mits er geen geweld wordt gebruikt, is er met dergelijke intolerantie te leven, net als we moeten leven met de zwartekousenkerk, of de ultraorthodoxe joden. Goed onderwijs kan hier mogelijk verlichting brengen en alles moet worden gedaan om agressie jegens vrouwen en homo’ te voorkomen, maar normatieve verschillen zullen blijven bestaan. Dat is nu eenmaal zo in een pluralistische maatschappij.

Iets anders is ook dat de strengere, meer puristische vorm van de islam, vaak gestimuleerd en gefinancierd door Saoedi-Arabië, niets te maken heeft met de tradities van Anatolië of het Rifgebergte. Die neo-orthodoxie slaat juist aan bij de tweede generatie immigranten, geboren maar nog niet ‘thuis’ in Europa. Wahabitisch purisme is geen oude traditie, laat staan Marokkaans. Het is een relatief moderne, vaak in het Engels, via internet, gepropageerde born again religie, populair bij mensen die zich nergens thuis voelen.

Het politieke extremisme van groepen als Al-Qaeda is al evenmin traditioneel. De religieuze pretenties van Osama bin Laden worden door conservatieve moslims juist streng afgekeurd. De politieke islam is in de laatste honderd jaar door veel ideeën beïnvloed, waaronder het marxisme. Ik zeg dit niet ter verdediging van de politieke islam. Die is zeker gevaarlijk. Maar het gevaar zou veel groter worden als we de strijd tegen de gewelddadige politieke islam zouden zien zoals Wilders dat doet, als een oorlog van botsende beschavingen, een Kulturkampf tegen de islam an sich.

Juist om het hoofd te kunnen bieden aan politiek geweld moeten vreedzame moslims, ook de streng gelovigen, een plaats kunnen vinden in de Europese samenleving. Alleen dan kun je de gewelddadige elementen isoleren en voorkomen dat moslims uit angst, woede en ressentiment sympathie gaan koesteren voor een bloedige droom in naam van hun godsdienst.

Men kan de islamitische filosoof Tariq Ramadan, die zojuist is ontslagen als adviseur van de gemeente Rotterdam, veel verwijten: ijdelheid, intellectuele wolligheid, en opportunisme. Maar hij heeft nooit gepleit voor een islamitische staat in Europa, laat staan voor een gewelddadige revolutie. Hij wil dat Europese moslims zich gedragen als democratische burgers. Dat hij een orthodox-islamitisch geloof propageert is zeker, maar hij tracht dit te combineren met zijn voornamelijk linkse politieke denkbeelden. Politiek moet volgens hem worden gevoed met de ethische impuls van zijn geloof. Hij is in zekere zin te vergelijken met Abraham Kuyper, streng gelovig, niet altijd tolerant, maar wel een democraat.

Niettemin is ‘Ramadan’ nu ook een haatsymbool geworden onder mensen die het eens zijn met de ideeën van Wilders. Dit is niet verwonderlijk. Want als je ervan uitgaat dat de islam als zodanig een bedreiging is voor de westerse beschaving, en je openheid jegens moslims in Europa ziet als laffe collaboratie met het kwaad, dan is de toenadering die Ramadan zoekt per definitie onmogelijk, en dus is hij geen Abraham Kuyper, maar een islamitische wolf in schaapskleren.

Eén gevolg van de spanningen die het wereldbeeld van Wilders nu al heeft opgeroepen, is dat veel hoogopgeleide immigranten zich niet meer welkom voelen in Nederland. Sommigen zoeken hun geluk in Turkije. Dit zal de aanhangers van Wilders worst wezen. Maar er is een groter risico aan de Kulturkampf verbonden. Als mensen zich verstoten voelen, dan is een vijandige houding niet verwonderlijk. Naarmate die vijandigheid sterker wordt, krijgen we precies waar veel mensen bang voor zijn. Het onderscheid tussen gelovigen en ideologen wordt vager. Sympathie slaat om in actie. De maatschappij wordt verdeeld in kampen, moslims tegenover niet-moslims. En dan begint het bloed pas goed te vloeien.

De islamistische extremisten willen niets liever dan dit. Sommige Nederlandse racisten zouden het misschien ook toejuichen. Maar of die 40 procent van de Nederlanders die het met Wilders eens is dit ook werkelijk wil is nog maar de vraag. Het is in ieder geval iets om goed te overwegen wanneer zij naar de stembus gaan.

Ian Buruma is schrijver.