Makelaars?

Wereldvoetbalbond FIFA trekt mogelijk de licenties van spelersmakelaars in, schreef Voetbal International deze week. Ook zouden voetballers alle kosten die een zaakwaarnemer maakt zelf moeten betalen. Zijn makelaars onmisbaar?

Rodger Linse, zaakwaarnemer van onder anderen Ruud van Nistelrooy: „Spelersmakelaars zijn belangrijk. Veel mensen, vooral journalisten, hebben kritiek op ons, terwijl ze vaak niet op de hoogte zijn van de werkelijke bedragen en hoe die bedragen tot stand komen. Dat vind ik onzorgvuldig. Nu wil de FIFA de licenties misschien intrekken, daarmee wordt de markt vrijgegeven. Daardoor kan iedereen toetreden tot de markt en komen er meer spelersmakelaars. Ik vraag me af welk doel met die maatregel wordt nagestreefd. De spelers zijn dan helemaal niet meer te beschermen.”

Roberto Branco Martins, directeur belangenbehartiger spelersmakelaars Pro Agent: „Spelersmakelaars bemiddelen tussen clubs en spelers, daarom kunnen we concluderen dat de beroepsgroep de spreekwoordelijke olie tussen de verschillende partijen is aan de zakelijke kant van de voetbalindustrie. Bij clubs zijn veel technisch directeuren en trainers passanten. Zij blijven vaak maar een aantal jaar op hun positie. Daarna vertrekken ze naar een andere club. Het is dus belangrijk dat clubs spelersmakelaars kunnen inzetten die beschikken over een professionele staat van dienst en een groot netwerk. Voor veel clubs is het overigens onmogelijk om met het eigen apparaat aan personeel elk deel van de wereld te bezoeken om talenten te scouten. Het komt erop neer dat spelersmakelaars onmisbaar zijn en zullen blijven.”

Henk Kesler, directeur betaald voetbal KNVB: „Spelersmakelaars zijn zeker nodig. Wij hebben niet voor niets Pro Agent officieel erkend. De zakelijke begeleiding van vooral jonge spelers is een must. Een aantal makelaars kan dat ook prima. De vraag is alleen of de tarieven die zij in rekening brengen nog van deze wereld zijn. Maar als de licenties worden ingetrokken, kan elke groenteboer spelersmakelaar worden. Waarschijnlijk zal een wilde jacht op jonge spelers ontstaan. Als de FIFA dit doorvoert, moeten we bij de KNVB bekijken of we een interne licentiëring moeten opstellen.”

Jan Smit, voorzitter Heracles Almelo: „Spelersmakelaars hoeven van mij niet te verdwijnen, ik wil ze alleen niet betalen. Het is toch raar dat ik de adviseur van de tegenpartij geld moet geven. Als de spelers zelf moeten betalen, zullen ze er achterkomen wat hun adviseur eigenlijk rekent. Ze zullen om zich heen gaan kijken naar andere zaakwaarnemers, die misschien goedkoper zijn. Makelaars rekenen namelijk echt veel. De meesten rekenen 7 procent van het salaris van de speler. Het tweede jaar dat die speler voor je speelt, doet de spelersmakelaar eigenlijk niets. Maar ook dan moet ik hem nog 7 procent betalen. Vorig seizoen is er dertig miljoen euro onthouden van het betaald voetbal doordat de spelersmakelaars moesten worden betaald.”

Joop Atsma, oud-voorzitter Koninklijke Nederlandse Wielrenunie en lid Tweede Kamerfractie van het CDA: „Ik vind spelersmakelaars belangrijk. Ze hebben een meerwaarde omdat ze letterlijk de vraag en het aanbod bij elkaar brengen. Er moet via regelgeving wel voor worden gezorgd dat het bonafide makelaars zijn. Misschien is het ook verstandig om afspraken over de maximale bedragen of percentages te maken want soms gaat het om belachelijk hoge bedragen. Maar aan de andere kant is geen enkele speler of club verplicht om met een spelersmakelaar in zee te gaan.”

Hans Robben, vader en zaakwaarnemer van international Arjen Robben: „Ik kom zelf uit de voetballerij dus ik ken het wereldje en ik ken mijn zoon natuurlijk goed. Hij kan mij vertrouwen dus voor hem was er geen reden om een spelersmakelaar aan te schaffen. Ik vind het wel goed dat ze bestaan want niet iedereen kan zijn zaken zelf regelen. Maar de hoge bedragen moeten kritisch onder de loep worden genomen. Een club heeft namelijk altijd honderd procent van het transferbedrag voor een speler over. Hoewel ze zeggen dat het niet zo is, gaat het bedrag dat voor de makelaar is, toch van die honderd procent af.”